één ding (psalm 27)

Psalm 27, 4 – een mooi bijpassend luisterlied is: psalm 27 (The Psalm Project)

Psalm 27 wordt toegeschreven aan David. En David heeft deze psalm vermoedelijk geschreven in een heel onrustige periode in zijn leven. Als eenvoudige herdersjongen heeft hij met Gods hulp de Filistijnse reus Goliath verslagen en is in korte tijd heel geliefd worden bij de mensen. Hij wordt gezien als een man op wie de zegen van God rust. Een soort van verlosser-figuur, een Messias die een nieuwe toekomst kan openen. Iedereen draagt David op handen. Iedereen, nou ja, behalve koning Saul dan. Die ziet David als een bedreiging voor zijn troon. En is vast van plan David uit de weg te ruimen. Eerst probeert hij dat zelf door op een onbewaakt ogenblik in een driftaanval ineens een speer naar Davids hoofd te slingeren. En als David daarna op de vlucht slaat organiseert Saul met zijn mannen een klopjacht om David op te sporen en hem uit te schakelen. David wordt een politiek vluchteling. Hij trekt van onderduikadres naar onderduikadres. Maandenlang bivakkeert hij in afgelegen grotten en spelonken. Maar veilig is hij nergens, er is geen plek waar hij rust vindt. Hij is een stuk opgejaagd wild. Onrustig, ontheemd. En in deze periode vol stress en onveiligheid schrijft hij deze psalm.

Het kloppend hart van dit lied zijn de verzen 4 en 5, die beginnen met de krachtige woorden: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. En dat valt wel te begrijpen, dat David juist daar wil zijn. Want de tempel in Jeruzalem heeft in die tijd een soort van asielfunctie. Zoals ambassades dat in onze tijd hebben. Als je op zo’n plek aanklopt en asiel vraagt. En als men je dan opneemt, dan kunnen je achtervolgers je niets meer doen. Logisch dat David er sterk naar verlangt om in het huis van de Heer te zijn, te wonen. Om daar veilig te schuilen in zijn hut in het verborgene van zijn tent, hoog op een rots.

Maar daarmee is niet alles gezegd. David diepste verlangen is niet rust, geborgenheid, veiligheid. Hij schrijft: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heer te aanschouwen en te onderzoeken in zijn tempel. David is geen rustzoeker. Hij is vooral een Godszoeker. Zijn hart verlangt en gaat uit naar God zélf. Om precies te zijn: naar de liefelijkheid van God. Liefelijkheid is een wat ouderwets woord. Van Dale geeft als betekenis: beminnelijkheid, beminnenswaardigheid. Het is dat wat God aantrekkelijk maakt. Zijn schoonheid, pracht, luister. Zijn ‘beauty’ zegt de Engelse bijbel. De liefelijkheid van God aanschouwen. Dat is de taal van hartstochtelijk verlangen naar een geliefde. Naar het gezicht, de ogen, de lach, de stem, het hart. En Davids verlangen is om de liefelijkheid van de Heer te aanschouwen. Er niet zomaar even een vluchtige blik op werpen. Zoals wij surfen langs facebook-pagina’s. Even snel iets ‘liken’ en weg zijn we weer. David wil de liefelijkheid van de Heer aanschouwen, aandachtig en intens observeren. Lezen, spellen, in zich opnemen, absorberen. Zich er in verliezen, zich er aan toevertrouwen. Eén ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heer te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel.

Dat verlangen, die schreeuw naar God die trilt door het hele boek van de psalmen. Mijn hart en lijf roepen om de levende God (psalm 84)Zoals een hinde smacht naar stromend water, zo smacht mijn ziel naar u, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Wanneer mag ik nader komen En Gods gelaat aanschouwen? (psalm 42) God, u bent mijn God, u zoek ik, naar u smacht mijn ziel naar u hunkert mijn lichaam in een dor en dorstig land zonder water (psalm 63) Mijn ziel verlangt naar de Heer meer dan wachters op de morgen meer dan wachters uitzien naar de morgen (psalm 130)

Een mooi voorbeeld van dit verlangen komen we tegen bij Mozes in Exodus 33. Hij gaat met God om als met een vriend en was soms dagenlang alleen met God in de stilte. En vraagt op een zeker moment: Heer, toon mij toch uw heerlijkheid. En dan zegt de Heer: mijn gezicht zal je niet kunnen zien maar ik zal in mijn goedheid aan je voorbij doen gaan. Er is een plaats op de rots, waar je dicht bij mij kunt komen staan.

Herken je iets van die vraag van Mozes? Heer, toon mij toch uw heerlijkheid. Ken je die schreeuw? Weet je hoe dat voelt? Dorst, honger, heimwee, verlangen naar God? Weet je, je kunt iets aan godsdienst doen en je kunt soms wekelijks naar de kerk gaan omdat je vooral rust zoekt en veiligheid. Omdat je zo je geweten sust. Misschien hoop je zo een plaatsje in de hemel te ontvangen. Of je zit hier omdat het hoort. Omdat je er bij bent opgevoed en je voelt je schuldig als je niet in de kerk bent. Je bidt voor je eten, misschien lees je je bijbel. Maar doe je het niet vooral uit angst. Of om er voordelen uit te halen? Een fijn gevoel, rust. Veiligheid. Zegen van God? Je bent dan vooral bezig met godsdienst, met religie. Daar is niets mis mee. Maar dat is het dan ook.

Maar spiegel jezelf eens aan deze woorden. Doe je aan godsdienst, of gaat je hart uit naar God? Ken je je dorst, voel je de stille schreeuw? Vaak proberen we het te sussen en te stillen. Het te vullen met van alles en nog wat. Hard werken, leuke dingen doen, het fijn hebben. Maar gezegend ben als het je niet meer lukt.. Als je verbonden bent met je diepste verlangen.

Dat verlangen naar God, die schreeuw, die heimwee in je hart dat is geen verdienste. Dat is de echo van een ander en nog veel dieper, sterker verlangen buiten ons zelf. We hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Dat andere sterkere verlangen dat aan ons verlangen voorafgaat dat is een enorm sterk verlangen dat leeft in het hart van God. Al op de eerste bladzijden horen we dat verlangen doorklinken als God op zoek is naar de mens: Adam, waar ben je? En sindsdien is God altijd en overal op zoek gebleven. En gaat zijn hart uit naar de mensen. Wil hij niets liever dan vriendschap, vertrouwelijke omgang

En voor God is het geen goedkope vriendschap. Hij heeft er werkelijk alles voor over geen prijs is hem te hoog om die vriendschap te bewerkstelligen. Hij zond zijn zoon om een van ons te worden en ons in Hem van zijn liefde te verzekeren. Hij geeft zijn Geest die in ons wil komen wonen en diep in ons bestaan die vriendschapsband wil laten groeien. Hij geeft ons zijn Woord die deze band kunnen verdiepen. Hij geeft ons het teken van de doop als een teken van zijn vriendschap zodat er al helemaal aan het begin van ons leven een vriendschapsverzoek aan ons hart wordt gelegd. En als teken van zijn eeuwigdurende vriendschap en verlangen stelt hij een maaltijd in, dé uiting van vertrouwelijke omgang. Als Jezus voor de laatste keer met zijn vrienden een maaltijd heeft dan zegt hij: Ik heb er hevig naar verlangd deze maaltijd met jullie te houden. Er is iets in het hart van God dat zo sterk uitgaat naar ons. Hij wil met ons omgaan als met een vriend. Vertrouwelijk, intiem. Met ons eten en drinken.

En dat verlangen zoekt een antwoord in ons hart. Een antwoord zoals dat van David in psalm 27: Eén ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heer te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel. Dat zal ik zoeken, zegt David. Daar zit iets actiefs in. Vandaar dat David graag en vaak in de tempel was. En toen God hoog op de rots voorbij kwam in zijn goedheid. Toen was Mozes daar, stond hij daar op de afgesproken plek. En kwam het tot een wonderlijke ontmoeting die zijn leven blijvend heeft veranderd, verdiept, verrijkt.

En dat is ook waartoe wij worden uitgenodigd. Als we volgende week de maaltijd van de Heer vieren. Dat we onze plek dan niet leeg laten maar er zijn. En als de Heer roept, ook in beweging komen. En de liefelijkheid van de Heer te aanschouwen. Te onderzoeken. Te proeven in brood en wijn. Te horen als een broer of een zus in het geloof je toefluistert: hier, lichaam van Christus gegeven voor jou. Bloed van onze Heer, vergoten voor jou. Zo voedt je en versterk je en verdiep je je relatie, je band met de Heer.

Eén ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. Misschien klinkt het je net iets te benauwd. één ding, al de dagen van mijn leven…. Moet alles dan echt draaien om godsdienst, de kerk en zo? Nou, om te wonen in het huis van de Heer. Hoef je niet letterlijk in een kerk of een tempel te zijn. Die tempel mogen we ook zelf zijn. Een tempel zijn van de Geest. En die Geest schept in ons eigen hart een heiligdom, een stille en lege plek waar God kan wonen. Ik Hem elke dag mag ontmoeten.

En als je vanuit die grondhouding leeft. Dan ontwikkel je iets van een gevoeligheid om iets van Gods liefelijkheid en goedheid te zien oplichten hier en nu om je heen in het gewone leven van iedere dag. Dan mag je iedere dag die God je geeft ingaan met een open, verwachtingsvolle en hoopvolle blik. Dat is wat doorklinkt in dat mooie slotvers van deze psalm. Mag ik niet verwachten de goedheid van de Heer te zien in het land van de levenden? Wacht op de Heer, wees dapper en vastberaden. Ja, wacht op de Heer.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie