Vele gaven, één Geest

(1 Korintiërs 12 – luisterlied Opwekking 767 Familie)

Zo’n 45 jaar geleden schreef de Brit Richard Adams het boek Waterschapsheuvel. Het is een klassieker geworden. Op veel Nederlandse scholen staat ie op de lijst van boeken die je kunt lezen voor Engels. Waterschapsheuvel vertelt het verhaal van 12 konijnen. Hun konijnenhol wordt door mensen vernietigd. Er komt op die plaats een nieuwbouwwijk. Zeg maar een soort Vathorst en een groep van twaalf konijnen gaat op zoek naar een nieuw en veilig thuis. Op hun zoektocht komen ze verschillende andere groepen konijnen tegen. En ieder van deze groepen leeft op een bepaalde manier samen. Waterschapsheuvel gaat over manieren van samenleven. Over leiderschap en democratie.

Maar Waterschapsheuvel gaat ook over moed, vriendschap en saamhorigheid. De twaalf maken onderweg van alles en nog wat mee. Ze ontdekken dat ze elkaar nodig hebben. Kopstuk is groot en sterk. Braam is de slimste en veel verbeeldingskracht. Paardenbloem is fysiek de allersnelste. Klaver is bijzonder loyaal en betrouwbaar. Grasklokje is een goede verhalenverteller. Vijfje is de kleinste en onhandigste maar speelt desondanks toch een sleutelrol. Hij is nogal visionair, in de letterlijke zin. Hij krijgt regelmatig dromen en visioenen die helpen om te zien waar gevaar dreigt of waar er juist een uitweg is uit het gevaar. Vijfje heeft visie.

Waterschapsheuvel is dus ook een verhaal over gaven. Net als 1 Korintiërs 12. Ken jij je geestelijke gaven? Heb je het daar wel eens over met elkaar? Welke gave heb jij van Geest gekregen? Gaven van de Geest gaat over iets meer dan talenten. De Geest kan aansluiten bij iemands natuurlijke talenten en capaciteiten. En die in dienst nemen, verder ontwikkelen en versterken. Maar zulke natuurlijke kwaliteiten kunnen ook in de weg zitten. Je komt in de Bijbel nog wel eens mensen tegen die het redelijk goed met zichzelf hebben getroffen en zichzelf eigenlijk behoorlijk geschikt vinden en begaafd. Zolang ze zo vervuld zijn van zichzelf  kan God eigenlijk weinig met ze beginnen. Zulke mensen ondergaan eerst een periode van loutering. Denk aan Mozes die met zijn voortreffelijke Egyptische opleiding en een ongezonde geldingsdrang de grootste brokken maakte. En pas na 40 jaar herderen in de woestijn vruchtbaar kon worden gemaakt door God. God heeft een voorkeur voor gebroken mensen

Maar de Geest kan ook gaven geven die je zelf eigenlijk helemaal niet zo in je hebt. Opvallend dat we juist heel veel gaven van de Geest tegenkomen in Korinthe terwijl we juist van deze mensen ook lezen: 26Denk eens aan uw roeping, broeders en zusters. Onder u waren er niet veel die naar menselijke maatstaf wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren. 27Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; God kan meer van zijn kracht laten zien naarmate wij ons bewust zijn van onze eigen zwakte en beperkingen. Zodat wij niet met de eer strijken maar het bijdraagt aan de belijdenis dat Jezus Heer is.

Als je dat nog niet zo gemakkelijk vindt om te zeggen wat nu precies je gaven zijn kun je gebruik maken van allerlei online-gaventesten. Je kunt zelf zo’n vragenlijst invullen en enkele anderen die jou goed kennen vragen dat ook voor jou te doen en dan komt er vast een beeld uit van enkele gaven die je kennelijk hebt. En wellicht ook enkele gaven die aanwezig zijn maar nog niet zo sterk ontwikkeld. En ook vast heel wat gaven die je niet hebt. Die mag je vieren zegt gemeenteopbouwer Christian Schwartz. Want daar hoef je dan ook niets mee.

En dan mag je ermee aan de slag. Je mag ernaar streven zegt Paulus. Je mag ze bewust ontvangen en ontwikkelen. Je mag ze activeren, inzetten en ontwikkelen. Ben je een leider: wordt een betere leider! Ben je een helper: wordt een betere helper! Ben je een spreker: wordt een betere spreker! Heb je een bijzondere mate van geloof: streef naar een nog groter geloof! Heb je kennis: streef naar meer kennis! Heb je de gave van het musiceren, musiceer! Dat is de wil van de Geest voor uw leven. Want Hij deelt eenieder in het bijzonder toe, gelijk Hij wil.’ Het zou mooi zijn als je zou weten welke twee of drie gaven je hebt ontvangen. Je zou ze kunnen opschrijven en er een gebed over uitspreken: naar deze gaven wil ik streven. Deze gaven wil ik ontwikkelen. ‘Heilige Geest, geef me de kracht en de durf om me op deze gaven te concentreren en wilt U ze laten groeien als mijn bedieningen in uw gemeente, in mijn gezin en mijn leven?’

Niemand heeft alle gaven. De gaven worden verspreid over alle gelovigen. En alleen samen zijn we dus compleet. Alleen samen vormen we het lichaam van Christus. In samenhang en verbondenheid. Juist omdat we verschillende gaven hebben staan we ook verschillend in de gemeente. De een gedijt bij orde en structuur, de ander zoekt juist de verrassing, het onverwachte. De één verbindt, de ander zet de zaak juist op scherp. Er zijn behoeders van de traditie en anderen die vernieuwing najagen. De een is een type hovenier die houdt van  duizend bloemen laten bloeien, de ander een geboren bouwer die gedijt bij een plan, een tekening, een visie.

De afgelopen dagen zijn we als bestuur ook hiermee bezig geweest. Met samen een team vormen waarin we elkaars eigenheid zien en omarmen en benutten. Het leidde tot een groepsgesprek waarin we elkaar beter in beeld kregen. En we ons realiseerden dat we juist met onze verschillen aan elkaar zijn gegeven. Zo’n beetje alle enneagramtypes bleken we in aan boord te hebben en ieder van ons dus met heel eigen kwaliteiten. En daarmee ook eigen valkuilen, allergieën en stokpaardjes. Door dat beter van elkaar te weten kunnen we hopelijk ook zo samenwerken dat ieder van ons ruimte heeft om op een heel eigen manier bij te dragen aan het geheel.

Onderlinge verschillen zijn wel spannend. Dat zien we ook bij de konijnen in Waterschapsheuvel. Er zijn konijnen die hun eigen gave als het één en al zien. En zich verheven voelen boven anderen. Sommige andere konijnen zijn juist onzeker. Kennen hun eigen gave nauwelijks of vinden hem niet veel waard. Ze staan niet in hun kracht, hebben de neiging zichzelf klein te maken en te verstoppen en andere daarmee te groot te maken. Een gevoel van meerderwaardigheid of minderwaardigheid maken het geheel niet sterker, maar zwakker.

Het bijzondere van de parabel van Waterschapsheuvel is dat de verschillen niet worden gezien als lastig. Deze konijnen redeneren niet zo van: laten we het niet teveel hebben over onze verschillen maar vooral uitgaan van wat ons verbindt. Nee, wat hen sterk maakt, wat hen redt is dat ze op cruciale momenten in het verhaal bereid zijn om juist alle ruimte te geven voor ieders eigen gave. Ieders eigen kijk. Ze gaan er samen echt voor zitten. Als één van hen echt iets te vertellen heeft, zich zorgen maakt, een ingeving heeft een voorstel heeft, een inzicht, een overtuiging. En juist die bereidheid maakt deze twaalf tot een heel veerkrachtig en dynamisch geheel.

In Waterschapsheuvel is de leider van de twaalf konijnen Hazelaar. Hij heeft geen van de gaven van de anderen. Dat maak hem bij vlagen ook wel wat onzeker. Maar Hazelaar slaagt erin de gaven van elk van de twaalf te herkennen en op het juiste moment in te zetten. Hoewel ze een kleine, kwetsbare groep zijn hebben ze samen steeds voldoende visie voor de volgende stap. Steeds voldoende moed en kracht om te doen wat nodig is. Deze twaalf konijnen leven en gedragen zich niet als twaalf losse individuen maar functioneren op hun beste momenten als één lichaam. Dat is precies waar Paulus op uit is bij de Korintiërs. Ook daar gaat samen een eenheid vormen niet vanzelf. Paulus ziet verdeeldheid, groepsvorming, weinig saamhorigheid. Hij gebruikt dan het beeld van een lichaam. Een goed gekozen beeld. Een lichaam gaat over verscheidenheid en éénheid. Ieder lichaamsdeel, ieder orgaan heeft een eigen functie. En draagt op een heel eigen manier bij aan het lichaam. En die heel eigen bijdrage is voor dat lichaamsdeel dan ook genoeg

Wat de samenhang versterkt is voor ogen te houden dat we in alle verscheidenheid een en hetzelfde doel voor ogen hebben. Zoals het in Waterschapsheuvel ging om het samen vinden van een veilig thuis. Ze hebben we als gemeente ook samen een doel. We lezen in vers 7: Aan ieder echter wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat nuttig is voor de ander. De NBG vertaalt: tot welzijn van allen. Gaven zijn er om de ander mee te dienen. Om bij te dragen aan het geheel.

Nog even terug naar het beeld van een lichaam. Als ieder lichaamsdeel zijn dingetje doet is er nog geen sprake van een lichaam. Een lichaam kent samenhang. Alle processen en systemen werken op elkaar in. Alles hangt met alles samen en is verbonden. Paulus noemt een geloofsgemeenschap ‘lichaam van Christus’. Zoals een lichaam wordt aangestuurd en gecoördineerd vanuit het hoofd, zo is Christus bepalend voor de gemeente. Naar de mate dat ieder afzonderlijk lid verbonden is met Christus. Naar de mate dat dat Christus mijn leven bepaalt, stuurt, vult en bezielt. Naar die mate zal ik meebewegen in het lichaam. In 1 Korintiërs 2 staat van deze volgroeide manier van geloven: Wij hebben de gedachten van Christus. Een gemeente is dus maar net zo sterk als haar zwakste schakels. Als een lid niet verbonden is aan het hoofd. Niet leeft van diezelfde genade. Niet zijn rustpunt vindt in Christus. Dan gaat het op die plek in het lichaam mis. Dan stagneert daar de groei. Wordt daar het lichaam van Christus ziek, zwak en bleek. Daar lopen de radertjes dan vast

Ieder deel van het lichaam is dus verbonden met Christus. Het is dus Christus die de delen aan elkaar verbindt. Dietrich Bonhoeffer zegt ergens in het boekje ‘Leven met elkaar’: christelijk gemeenschap (verbondenheid) is verbondenheid door Jezus Christus. Het contact dat ik met een broeder of zuster heb loopt niet direct, maar altijd via Christus. In een soort driehoek: de ander – Christus – ik. Dat is een heel Bijbelse notie. Wij zijn broeders en zusters van elkaar, door wat Christus voor ons gedaan heeft. Dat is wat ons aan elkaar verbindt. We hebben wat met elkaar dankzij Christus. Wanneer Hij er tussenuit valt, gaat het mis. Dan zien we elkaar met menselijke ogen. Het gaat erom dat we naar elkaar kijken met de ogen van Christus. De ander eerst en vooral zien als een kostbaar mens voor wie Christus ook gestorven is en opgestaan. Verzoening deed voor onze zonden en stekeligheden. Zo leer ik mijn broeder en zuster vanuit Zijn ogen te zien: als iemand die net zo kwetsbaar is als ik en die net zo op de genade aangewezen is als ik.

In mijn vorige gemeente hadden we als kerkenraad regelmatig verdiepingsavonden op een locatie buiten de kerk. Het was een oude graanschuur verbouwd tot aantrekkelijke groepsruimte. Midden in die ruimte stond een stevige dragende balk. En als we in een kring zaten stond die balk altijd in het midden eigenlijk hinderlijk in de weg. Vaak moest je je even uitstrekken om om de balk heen net die ene andere broeder of zuster in de ogen te kunnen kijken. Irritant was die balk eigenlijk. Tot we met elkaar bedachten dat die balk daar eigenlijk precies goed stond. Hij deed ons denken aan de dragende balk van het kruis van Golgotha Het contact dat ik met een broeder of zuster heb loopt niet direct, maar altijd via Christus.

Dat geeft ook dat je altijd met een zekere mildheid naar elkaar mag kijken. In de Korintiërsbrief staan twee hoofdstukken die gaan over de gaven van de Geest hoofdstuk 12 en hoofdstuk 14. En precies tussen deze twee hoofdstukken in staat hoofdstuk 13. Dat gaat over de liefde. Zonder onderlinge liefde ben ik met al mijn gaven een dreunende gong, een schelle cimbaal. Maar waar liefde woont, krijgen alle gaven de ruimte. Zo, samen, komen we tot onze bestemming. En is ieder van ons een radertje in een prachtig geheel. Een deel van het wonderlijke lichaam van Christus.

Mede geïnspireerd door Samuel Wells, Wees niet bang, 2011, p. 93-100

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie