Met andere ogen

(Matteüs 25:31-46)

 

Laatste vraag

Wat is de belangrijkste vraag in ons leven? Die ene vraag waar alles om draait? Waar ons hele bestaan mee staat of valt? Welke vraag bepaalt uiteindelijk of ons leven geslaagd is of niet. Wat is de laatste vraag die ons zal worden gesteld? Als we oog in oog staan met onze Schepper?

Jezelf geworden

Een bekende rabbijn, rabbi Susja zei kort voor zijn dood: In het toekomende rijk zal mij niet gevraagd worden: Waarom ben je niet Mozes geweest? Mij zal slechts gevraagd worden: Waarom ben jij niet Susja geweest? Dat lijkt misschien wat simpel en gemakkelijk. Maar als je er langer over nadenkt, is het een diepe vraag voor mensen die zich zo graag spiegelen aan een ander. Is dit misschien wel zo’n belangrijke laatste vraag. Ben jij, ben ik de mens geworden die jij, die ik zou hebben mogen en moeten zijn?

 

Heb je me lief?

Bij Johannes vinden we een andere mogelijkheid. Helemaal aan het einde van zijn evangelie plaatst hij een gesprekje tussen Jezus en Petrus. En daarin komt drie keer dezelfde vraag terug: Simon, zoon van Johannes, heb je me lief? Simon, zoon van Johannes, heb je me lief? Simon, zoon van Johannes, houd je van me? Voor Johannes is dit het waar het om draait je in leven: Of er in je leven liefde is voor Jezus. Of je, bij wat er ook in je leven is gelukt of mislukt, net als Petrus kunt zeggen: Heer, U weet alles. U weet dat ik van U houd.

 

Het sluitstuk van Matteüs

Ook Matteüs doet een voorstel voor zo’n laatste en beslissende vraag. In de gelijkenis van de schapen en de bokken. Het is volgens Matteüs het allerlaatste verhaal dat Jezus heeft verteld. Al zou je alles vergeten wat Jezus heeft gedaan en gezegd, onthoud dan dit laatste, dit sluitstuk, de essentie.

 

Schapen en bokken

En dan volgt het verhaal van de schapen en de bokken. Zoals het ging en gaat in het oosten bestaat een kudde uit een mix van schapen en geiten. De hele dag lopen ze door elkaar en trekken ze samen op. En aan het einde van de dag haalt de herder ze uit elkaar omdat ze op verschillende plekken overnachten. De schapen buiten onder de open hemel en  de geiten wat meer beschut, in een stal. En zoals aan het einde van de dag schapen en bokken van elkaar worden gescheiden, zo zullen aan het einde van de tijd ook de mensen worden gescheiden in twee groepen.

 

De finalevraag

Wanneer de Mensenzoon komt en alle mensen samen voor hem staan, dan zal die ene vraag gesteld worden. De vraag die bepalend is, beslissend. Hoe ben je om gegaan met mensen in nood die jou pad kruiste? Ik was hongerig, gaf je mij te eten? Ik had dorst, kreeg ik van jou te drinken? Ik was een vreemdeling, vond ik bij jou een plekje? Ik was naakt, gaf jij me kleding? Ik was ziek, kwam jij bij me langs? Ik zat gevangen, kwam jij naar me toe?

 

Zwart-wit

Deze gelijkenis van de schapen en de bokken, het is een radicaal verhaal in zwart en wit. Er is alleen deze ene vraag die uiteindelijk telt. Je bent een schaap of een bok. Je ziet om naar de ander of je doet dat niet. Je bent gezegend of je wordt vervloekt. Je hebt deel aan Gods koninkrijk. Of je verdwijnt uit Zijn ogen in het eeuwige vuur.

 

Scherpte bij Matteüs

Dat radicale, dat zwart-witte, dat vlijmscherpe, dat komen we vaker tegen bij Jezus. En juist Matteüs heeft die woorden opgeschreven en laat ze in al hun ongemakkelijkheid staan. Zo’n uitspraak als: Niet iedereen die Heer, Heer tegen mij zegt zal het koninkrijk van de hemel binnengaan. Alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse vader.

 

Laatste verhalen

Dat accent op wat je met Jezus woorden doet, dat komen we ook tegen in die allerlaatste verhalen die Jezus vertelt. Het lijkt Jezus aan te vliegen tegen het einde van zijn missie vlak voor zijn vertrek. De mogelijkheid dat mensen met alles wat ze van Jezus hebben gehoord en meegekregen, uiteindelijk toch niets doen. En dan vertelt hij nog enkele indringende verhalen. Over tien meisjes en hun lampen. Over drie dienaren en hun talenten. Over schapen en bokken.

 

Zonde van nalatigheid

De vijf dwaze meisjes doen niet zoveel verkeerd. Ze laten alleen iets na: Voldoende olie meenemen. De dienaar met het ene talent, hij doet geen vlieg kwaad. Maar ook hij komt aan het belangrijkste niet toe en hij begraaft wat hem is toevertrouwd. En in het verhaal van de schapen en de bokken zijn de bokken geen slechteriken. Ze hebben alleen een ding achterwege gelaten, het daadwerkelijk omzien naar een medemens in nood. Het is de zonde van nalatigheid. Dat je weet wat je zou moeten doen. En dat het er uiteindelijk toch niet van komt.

 

Akedia

Kerkvaders hebben ons geleerd dat er bepaalde zonden zijn die het in zich hebben om ons leven van binnenuit te vernietigen. Het zijn de zeven hoofdzonden: Hoogmoed, gierigheid, lust, jaloezie, gulzigheid, woede en lusteloosheid. En over die laatste gaat het in onze gelijkenis. Acedia: Gemakzucht, traagheid, luiheid, onverschilligheid. Het begint met kleine dingen. Je schouders ophalen. Je afwenden van iemand in nood. Een andere kant op kijken. Iets in het hart uitschakelen. En het mondt uit in totale afstomping. Afvlakking, slapte, een kil en koud hart. Dat zelden of nooit meer wordt geraakt.

 

Overladen met slecht nieuws

En wie heeft daar geen last van. Als je dag in dag uit wordt geconfronteerd met alle ellende, alle nood in deze wereld. Nooit zijn mensen beter en sneller op de hoogte geweest van wat er in deze wereld gebeurt, dan wij nu in onze tijd. Wij krijgen op één dag van ons leven gemiddeld meer nieuws binnen, dan iemand in de middeleeuwen zag en hoorde in een heel mensenleven! En hoe voorkom je dan dat je afstompt, afvlakt, verhardt? Hoe blijf je warmhartig? Dat is: barmhartig.

 

Doenerig

Je kunt met deze gelijkenis over de schapen en de bokken gemakkelijk een hele doenerige en activistische kant op. Zo van: als ik van tijd tot tijd wat geld overmaak aan goede doelen. Zo nu en dan eens een kaartje stuur of even aanwip bij iemand die ziek is of alleen. Als ik organisaties steun zoals de voedselbank: Dorcas, Open doors, Zoa. En anderen die werken met de allerarmsten in deze wereld, dan draag ik mooi mijn steentje bij. En als mij de laatste vraag wordt gesteld: Wat ik heb gedaan met een mens in nood. Dan heb ik straks toch ook een mooie scorelijst. Als je zo denkt,  dan heb je dit verhaal toch nog niet helemaal begrepen. Ook wie zo berekenend bezig is om lijstjes af te werken en punten te scoren, kan dan doen zonder al te veel compassie.

 

Op zoek naar Jezus

Als Jezus zegt: Alles wat je gedaan hebt voor de minste van mijn broeders of zusters, dat heb je voor mij gedaan. Dan zou je je kunnen voornemen om vanaf nu beter op te letten. Op situaties die je tegenkomt en mensen die je ziet. En je steeds afvragen: In welke medemens zou Jezus zich vandaag hebben verstopt? Dan zorg ik dat ik Hem in elk geval niet misloop. Dat ik op de goede manier reageer. Als Hij vandaag mijn pad kruist vermomt als dakloze, als zieke, als vluchteling.

 

Vossenjacht

Maar ook dat zou een heel verkrampte houding zijn. Dan wordt het leven zoiets als een vossenjacht. En je proeft zoiets bij de bokken: Heer, wanneer hebben wij u dan hongerig gezien of dorstig? Wanneer hebben we u dan als vreemdeling gezien of naakt? Wanneer hebben we gezien dat u ziek was of in de gevangenis? Het is de houding van: Als Jezus in de buurt is zal ik zorgen dat ik op de juiste wijze reageer. Maar deze mensen lijken zich niet te realiseren dat Jezus altijd in de buurt is. En dat er elke dag en in iedere situatie de gelegenheid is om Hem te dienen.

 

Van een ander soort

De liefde, de zorg, de aandacht, de compassie waar Jezus naar zoekt, is niet berekenend maar onbaatzuchtig. Niet selectief maar gul en genereus. Niet gepland maar spontaan. Niet voor een cijfer maar vanuit je hart. Niet bij vlagen en afhankelijk van je stemming of je sympathieën. Maar constant en gevoed door de liefde van Christus. Niet alleen voor vrienden en kennissen en eigen volk, maar ook voor de vreemdeling, de verschoppeling, de vluchteling, de minste van de broeders…

 

Met andere ogen

Nee, het verschil tussen schapen en bokken zit een stuk dieper. Wat de bokken nooit hebben geleerd en de schapen wel, is dit. Om die ander echt te zien, in de ogen te durven kijken. Ook en juist als die ander onaanzienlijk is. Noodlijdend, hulpbehoevend, gebroken, zwak, lelijk en in niets aantrekkelijk. Daar, zegt Jezus, daar ben Ik nooit ver weg. In zulke ontmoetingen vind je iets van mij. In zulke ogen wil Ik jou aankijken en je iets leren.

 

Dank en hoop

Soms zie je in die ogen van de ander iets van dankbaarheid die jou er aan zal herinneren hoeveel jij hebt om dankbaar voor te zijn. Soms proef je in die ander moed, kracht, geduld, hoop dat het jouw hart zal raken en verwarmen.

 

Naast de ander

En soms zal je in de ogen van die ander vooral jezelf weerspiegelt zien. In je hulpeloosheid en onvermogen om die ander werkelijk lief te hebben. En je hart voor die ander te openen. Je hart kan soms zo koud aanvoelen. Je kunt soms zo schrikken van de sloten op de deur van je hart. En ineens realiseer je je met schrik: Ik ben het nu ook zelf: De minste van Zijn broeders. De minste van Zijn zusters. De minste in mijn onvermogen om werkelijk compassie te hebben, me werkelijk verbonden te voelen. Mijn hart voor die ander te openen.

 

Wie ik ben

Die ander weerspiegelt wie ik ben. Van huis uit, van nature, van mezelf. En wie God voor mij is in Christus Jezus. Ik ben de hongerige, en mag eten uit Zijn hand. Ik heb dorst en mag drinken uit Zijn Bron. Ik ben de vreemdeling die een plekje vind in Zijn huis. Mijn naaktheid en schande bedekt hij met hagelwitte klederen van gerechtigheid. Mijn zieke ziel vindt bij hem volkomen genezing. Als ik gevangen ben, zoekt hij me op en zet me in een nieuwe ruimte.

 

Wonderlijk verbonden

Als dat echt even doordringt, dan voelt je je ineens bij alle verschillen even heel wonderlijk verbonden. Niet langer verheven boven die ander. Maar echt even naaste van die ander. Zo wil ik die ander zien. Zo treed ik die ander tegemoet. Zo reik ik die ander de hand. Gaat wat die ander overkomt en doormaakt niet langs mij heen. Maar raakt het me. Ik zal mijn hoofd niet wegdraaien. Ik kan niet langer wegkijken. Ik zal die ander aankijken, Ik wil die ander zien. Zien met andere ogen en doen wat mijn hand vind om te doen. In hem, in haar ontmoet ik een broer, een zus. Voor hem, voor haar en voor mij is Christus gestorven en opgestaan. In Hem zijn wij voor altijd verbonden.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie