Lost & found

(Lukas 15:1-10)

Grensbewakers en lijnentrekkers

Ik begrijp het ergens wel. Dat gemor en gemopper van Farizeeën en Schriftgeleerden. Over Jezus die zondaars ontvangt en met hen eet. De Farizeeën en Schriftgeleerden spelen een belangrijke rol, zij zijn de behoeders van de traditie. Zij zijn de absolute experts in godsdienst. Ze leggen de lat hoog en met hun strikte opvattingen vormen zij het moreel geweten van de samenleving. Die Farizeeën en Schriftgeleerden zien zichzelf als Gods grensbewakers. Ze weten exact waar de grens ligt tussen wat goed is en wat fout. Zij trekken met gemak de kaarsrechte lijn tussen wat wel kan en wat niet. Het zijn de portiers van de Heer die bepalen wie er wel bij hoort en wie niet. Wie binnen mag en wie er buiten staat.

Ondersteboven en binnenstebuiten

En dan is daar ineens een rabbi uit Nazareth die alles zo heel anders benadert.

Hij stapt heel bewust over grenzen heen. Hij keert alles ondersteboven en binnenstebuiten. Wie dacht de eerste te zijn, is ineens de laatste. Insiders blijken overal buiten te staan en buitenstaanders zitten zomaar bij hem aan tafel. Die man ontvangt zondaars en eet met hen..

 

Jezus en de caravanbewoners

Voor ons klinkt dat vertrouwd en dierbaar. Dat zondaars welkom zijn bij Jezus. Dat zijn we wel gewend, zo gaat dat. Maar stel je eens voor: Jezus is een paar dagen in óns dorp. Hij gaat alle kerken voorbij en ook het Westhoffhuis. De kerkenraden zaten al klaar voor hem en de catechisanten hadden ook op hem gerekend. Maar Jezus blijft urenlang hangen in een paar stacaravans ergens op de Goudsberg. Bij een clubje Poolse gastarbeiders die wij alleen kennen van de supermarkt waar we ze tegen het einde van de middag tegenkomen, met hun holle ogen en bleke gezichten. Ze kopen altijd vooral grote blikken bier en veel worst. Jezus drinkt dat bier en eet die worst en heeft daar in die caravans op de Goudsberg een prima tijd. In de loop van de avond schuiven nog wat andere caravanbewoners aan. Martijn bijvoorbeeld: hij komt uit de stad.

Martijn is een veroordeelde pedofiel die hier in een caravan woont omdat hij in geen enkele normale woonwijk meer welkom is. En Sonja, zij werd verliefd op een collega. Ze koos voor zichzelf en liet haar man en drie kinderen achter. Jezus zit daar urenlang in die caravan. Het gaat er nogal lawaaierig aan toe. Er wordt zoveel gelachen dat de caravan staat te schudden. Maar tegen het einde van de avond in de kleine uurtjes, wordt het ineens heel stil. En Jezus vertelt aan deze caravanbewoners: Oleg en Miroslav, Ursula en Kazimiera, Martijn en Sonja, over God in de hemel die zielsveel van hen houdt.

 

Wat voor signaal is dat?

Er zou over gesproken worden in het dorp en in de kerken, denkt u niet? Wat is dat voor een benadering van Jezus? Wat voor signaal geef je daarmee af? Hoe leg ik dat mijn kinderen uit?

Dat je kunt aan rotzooien wat je wilt. Brokken maken bij de vleet. En dat God het allemaal wel vergeeft en ondanks alles toch wel van je houdt? Waarom zouden wij dan nog ons best doen om zo fatsoenlijk en netjes mogelijk te leven? Waarom zouden we onze kinderen nog naar catechisatie sturen?

 

 

 

Herder en schaap

Dan vertelt Jezus twee bekende verhalen. Het ene over een herder die honderd schapen heeft. En als hij ’s avonds bij terugkeer in de schaapkooi zijn schapen telt en er een van de honderd mist,

dan aarzelt hij geen moment. Hij gaat de donkere nacht in en gaat op zoek en hij blijft zoeken tot hij dat ene schaap gevonden heeft. En dan is die herder zo intens blij, dat hij iedereen bij elkaar roept om samen te vieren dat het verlorene is gevondenen de kudde weer compleet is.

 

Vrouw en munt

Het tweede gaat over een vrouw die tien kostbare munten heeft. En als ze een van de tien kwijt is dan gaat zij op zoek. Ze doorzoekt het hele huis. Hij kan niet weg zijn en hij mag niet weg zijn. Ze kruipt over de vloer, ze tast met haar handen onder de kast en achter de oven. Ze schudt de schapenvacht uit, ze wordt steeds zenuwachtiger. Kijkt in kieren en spleten en dan ineens: daar blinkt wat. Daar ligt de tiende munt en ze kan haar geluk niet op. Ze is verrukt van blijdschap. Roept al haar vriendinnen en buren bij elkaar om samen met haar te vieren dat ze heeft gevonden wat ze kwijt was en dat de verzameling van tien kostbare munten nu weer helemaal compleet is.

 

Zo is God

Kijk, zo is God, zegt Jezus. God, zegt Jezus is als zo’n herder. Als een herder die houdt van alle honderd schapen en er niet eentje missen kan. En dus blijft zoeken totdat Hij het weer terug heeft

en zijn kudde weer compleet is. God, zegt Jezus, is als die vrouw die aan alle tien munten gehecht is. En niet kan en wil leven zonder die ene munt. God kruipt over de vloer van de wereld, door het stof en het vuil om het verlorene te zoeken. Dat is wat Jezus doet. Zoeken en thuisbrengen wat verloren is.

 

Het klopt niet meer

Voor de Farizeeën klopt het allemaal niet meer. Ze hadden het allemaal zo mooi op een rijtje.

Zo mooi uit gesorteerd, goed en fout, binnen en buiten. En nu, nu zien ze zoveel gebeuren tussen Jezus en die zondaars. Zoveel eerlijkheid en openheid, zoveel ontferming, genade en vreugde,

dat ze haast zouden beginnen te denken dat zij degenen zijn die er buiten staan. Dat zij zelf dat schaap zijn naar wie de herder speurt. Die munt naar wie de vrouw koortsachtig zoekt.

 

Verloren gaan

Verloren raken dat gaat soms ongemerkt en in stilte. Een schaap raakt achterop en is ineens nog maar alleen. Het durft niet te blaten, zet geen stap meer, rolt zich ineen en is totaal verlamd. Een munt rolt weg en belandt onder het stof. Verloren raken, het voltrekt zich ongemerkt en in stilte.

Verloren ben je als iemand je mist. Verloren ben je als iemand je kwijt is. Verloren ben je als er iemand naar je op zoek is, een herder, een vrouw, je eigenaar.

 

Ik, verloren?

En ik, ik krijg het vage vermoeden dat ook ik dat ene schaap kan zijn, die ene munt. Dat iemand mij kwijt is geraakt, dat iemand naar mij op zoek is. Al te vaak ben ik niet op mijn plek, begin ik iets voor mezelf, raak los van de anderen en is God me kwijt en naar mij op zoek.

 

Wat een God

Wat een God, die is als deze herder die mij mist, die mij zoekt en blijft zoeken, die mij vindt, die mij draagt en die mij thuisbrengt. Wat een God, die is als deze vrouw. Die zonder mij niet kan leven, die mij niet missen kan, die mij niet kwijt wil, die op handen en voeten door het vuil en stof van deze wereld gaat om het verlorene te zoeken en niet rust tot ook ik gevonden ben. En Hij mij aan Zijn hart drukt als een kostbare schat. En goede nieuws is dit: Gods talent om te vinden is groter dan ons talent om verloren te raken.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie