Golgotha als spiegel

(Markus 15: 22-39)

Golgotha is een spiegel voor ons mensen. En in die spiegel zie je jezelf op je slechtst.

Het is onthutsend om te zien hoeveel venijn, wreedheid, lompheid en agressie er in de mens naar boven komt. Hoe beestachtig de mens tekeer gaat rond de kruisiging van Jezus. Sommigen blinddoeken hem en slaan hem op zijn gezicht. Profeteer eens Jezus, wie heeft je nu geslagen? Dienaren van de hogepriester slaan hem met vuisten. Soldaten ranselen zijn lichaam af met gesels. Zetten hem voor gek met een purperen mantel en een doornenkroon en slaan met rietstok de doornen zijn hoofd in. Zij nagelen hem aan het kruis met lange spijkers door zijn handen en voeten. Daar hangt hij, met zijn voeten een meter boven de aarde. Hem wordt geen plekje op deze wereld meer gegunt. Uitgestoten, uitgespuugd, uitgekotst.. En terwijl hij daar hangt in helse pijnen bespotten voorbijgangers en ook hogepriesters en schriftgeleerden hem: anderen heeft hij gered, zichzelf redden kan hij niet. Van alle kanten en door vrijwel iedereen wordt Jezus veracht, verguisd, vernederd, belaagd, bespot, gdkruisigd. Of botweg en ijskoud genegeerd door de soldaten die terwijl Jezus helse pijnen lijdt onder aan het kruis zijn kleding verloten.

Golgotha is een spiegel voor ons mensen en in die spiegel zie je jezelf op je slechtst. Ja want die mens op zijn slechtst dat zijn niet alleen zij toen en daar. Dat bent u, dat ben jij, dat ben ik. Zo hebben onze voorvaders in het geloof dat gezien en verwoord en verbeeld. De dichter Jakobus Revius schreef ooit de beroemde regels:

T’en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u kruisten,

Noch die verraderlijk u togen voor ’t gericht,

Noch die versmadelijk u spogen in ’t gesicht,

Noch die u knevelden, en stieten u vol puisten,

T’en zijn de krijgslui niet die met hun felle vuisten

De rietstok hebben of de hamer opgelicht,

Of het vervloekte hout op Golgotha gesticht,

Of over uwe rok saam dobbelden en tuisten –

Ik ben ‘t, o Heer, ik ben ‘t die u dit heb gedaan,

Ik ben de zware boom die u had overlaân,

Ik ben de taaie streng waarmee Gij ging gebonden,

De nagel en de speer, de gesel die u sloeg,

De bloed-bedropen kroon die uwe schedel droeg,

Want dit is al geschied, helaas! om mijne zonden.

Revius komt zichzelf tegen op Golgotha omdat hij beseft dat Jezus dit alles moest ondergaan als gevolg van zijn zonden, zijn schuld. Jezus moest lijden en sterven ommijn schuld en zonde te verzoenen en te vergeven. Om mijn gebroken bestaan te helen en te vernieuwen en zo mijn redder, mijn verlosser te kunnen zijn.

Rembrandt heeft ooit een schilderij gemaakt waarop Jezus vastgespijkerd hangt aan het kruis en een groep mensen dat kruis oprichten en in een gat zetten. En als je goed kijkt zie je dat Rembrandt zichzelf heeft getekend als één van die mensen die mee duwt om dat kruis rechtovereind te zetten. En daarmee gaat Rembrandt nog een stapje verder dan Revius. Ik ben niet alleen de mens voor wie Jezus dit alles doet. Ik ben ook de mens door wie Jezus zo zwaar moet lijden. Niet alleen: Hij vóór mij. Maar ook: Hij dóór mij..

En dat besef, die overtuiging kom je ook tegen bij Martinus Nijhoff in het gedicht ‘de soldaat die Jezus kruisigde’:

Wij sloegen hem aan ‘t kruis. Zijn vingers grepen

Wild om den spijker toen ‘k den hamer hief –

Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij lief -‘

En ‘t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,

En werd een gek die bloed van liefde vroeg:

Ik had hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg

Den spijker door zijn hand in ‘t hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,

Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –

In ied’ren muur, in ied’ren balk of stam,

Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:

‘Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.’

 Het gedicht gaat over een van de soldaten die daar en toen de opdracht kreeg om samen met zijn collega’s Jezus aan het kruishout te slaan. En terwijl hij die klus klaart en dat vuile werk opknapt is daar Christus zelf in zijn pijn en angst

Zijn vingers grepen wild om de spijker

Toen ik de hamer hief.

En je ziet het voor je ogen gebeuren. De hand die als het ware nee schreeuwt tegen de pijn als de spijker er doorheen gaat.En direkt daarna is er iets van volstrekte rust en stilte. De soldaat zal grove scheldwoorden hebben verwacht Maar tot zijn verbijstering is daar ineens dat intieme moment

Maar hij zei zacht mijn naam: en heb mij lief.

Wat een contrast tussen de lichaamstaal van Jezus en zijn woorden. Tussen dat wilde om zich heen grijpen van zijn vingers En de zachte tederheid in het noemen van een naam en: heb mij lief. En die wonderlijke combinatie raken het hart van deze man:

En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

En toch kan hij zich aan dat geheim van die zachte liefde niet gewonnen geven, hij verzet zich. De lach die doorbreekt op zijn gezicht wringt hij uit alle macht weg. Zijn tanden knarsen er van, hij slaat er op los. hij timmert het weg. Met zo’n intensiteit dat het hout er van barst. Het geeft de sterke onwil aan van deze man.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten

En werd een gek die bloed van liefde vroeg

Ik had hem lief –  en sloeg en sloeg en sloeg

De spijker door zijn hand in het hout dat barstte.

Dat geraakt zijn door liefde en zich daar tegelijk zo tegen verzetten. Het doet denken aan een kind dat buiten zichzelf is van boosheid en dat dan door zijn vader of moeder wordt opgetild en in de armen wordt genomen. En terwijl het krijst en wild om zich heen slaat en krabt en bijt en striemen op het gezicht van zijn vader of moeder  trekt drukken die liefdevolle armen dat kind sterk aan tegen het hart van vader, moeder. Liefdevol, helend  en troostend. Vasthoudend tot het verzet gebroken is en het kind weer tot zichzelf komt. En tot overgave, rust, vrede.

Denkend aan de soldaat in dit gedicht en al die andere mensen daar rond het kruis met hun venijn, hun haat, hun agressie. Komt de vraag op: waar komt dit alles toch vandaan? Het is meer dan een samenloop van omstandigheden. Het is ook meer dan een opgehitste volkswoede. En het richt zich zo sterk op juist deze ene mens in wie zoveel van Gods hart zichtbaar is geworden. Hij is van genade, vol van waarheid. En juist op Hem stort zich de mensheid. Waar komt dat uit voort? Wat is de bron?

Wel, het diepste antwoord is even kort en als onthutsend. Het komt voort uit ons menselijke hart waarin de zonde zich zo diep heeft ingevreten. Dat Paulus zegt in Romeinen 3: Heel de mensheid is verdorven. Er is geen mens die nog het goede doet. Er is er zelfs niet één. Hun keel is een open graf. Hun tong is bedrieglijk. Achter hun lippen schuilt het gif van een adder. Hun mond is vol vervloeking en venijn. Ze haasten zich om bloed te vergieten. Brengen ellende en vernietiging. De weg van de vrede kennen zij niet. Ja, Golgotha is een spiegel voor ons mensen. En in die spiegel zie je jezelf op je slechtst

De diepe werkelijkheid van Golgotha is dit. Jezus geeft er zijn leven niet voor vrome gelovige mensen die af en toe misschien een foutje maken maar het verder toch vooral zo goed bedoelen. In Romeinen 5 lezen we: God bevestigt Zijn liefde voor ons daarin dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren. Jezus geeft zijn leven voor zondaars, voor vijanden, voor goddelozen. Voor de man die hem iedere keer opnieuw in het gezicht spuugt. Voor de soldaat die hem de spijkers door de handen jaagt. Voor mij die met iedere zonde Hem opnieuw een klap in het gezicht bezorg. En in zoveel wat ik doe of denk of zeg zijn lijden verzwaar, zijn last vergroot. Wij maken onszelf en elkaar vaak wijs dat het nog wel meevalt. Maar God ziet ons tot in de kern van ons bestaan. Ziet het verzet, de vijandschap, de onverschilligheid, de kilheid. Hij ziet het en weet het en voelt het. En desondanks: noemt hij zacht mijn naam en: heb mij lief.. Jezus vraagt om wederliefde omdat hij zelf zoveel houdt van ons. Ons kent bij onze naam en in ons diepste bestaan. En voor ons zichzelf overgeeft tot in de dood.

Op Golgotha peilen we het menselijke hart tot in de diepste en donkerste schuilhoeken. Maar op Golgotha peilen we ook Gods hart tot op de bodem. En vinden daar alleen maar pure liefde. Liefde voor vijanden. Onder deze liefde breekt zelfs het hardste hart. En zo vergaat het ook deze soldaat in het gedicht. Hij voelt zich sterk aan deze Jezus verbonden dat het is alsof er nu ook een spijker door zijn eigen hand is gegaan. Een spijker die hem voorgoed aan Jezus heeft vastgeklonken. Nooit kan hij meer dezelfde wezen. En vanaf nu staat zijn leven in het teken van deze Gekruisigde.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,

Trek ik een vis – zijn naam, zijn monogram

In iedere muur, in iedere balk of stam,

Of in mijn borst of, hurkend in het zand

En antwoordt als de mensen mij wat vragen

Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie