Eye-opener (Lukas 24:13-35)

(Lukas 24:13-35 – luisterlied: Emmaüs, Sela)

 Als christenen leven vanuit de blijde boodschap, dan zouden ze er wel eens wat verloster uit mogen zien. Dat zei Friedrich Nietsche. Filosoof in de 19e eeuw en domineeszoon. Het evangelie is goed nieuws, tintelt van hoop. Maar in hoeverre is dat ook te merken aan wie ik ben, de taal van mijn lichaam. De sfeer die ik om me heen heb hangen. Zien anderen die met mij leven en optrekken in mijn leven van iedere dag iets van een blij en verlost mens? Zou Nietzsche niet een punt hebben met deze uitspraak? Als christenen leven vanuit de blijde boodschap, dan zouden ze er wel eens wat verloster uit mogen zien.

Er valt op de uitspraak van Nietzsche misschien ook wel af te dingen. Wordt zo’n altijd blij en opgewekt geloof niet gemakkelijk iets geforceerds, iets gekunstelds? Je kunt er doodmoe van kunt worden, finaal op kunt afknappen? De schijfster Esther Gerritsen zei onlangs in een interview: Vroeger wilde ik zijn zoals Jezus. Maar die morele ambitie heb ik inmiddels laten varen. Ik heb geaccepteerd dat ik een zondig mens ben. Dat geeft enorm veel rust. Gerritsen ziet haar zondig zijn niet als een last maar als een bijna troostende erkenning van imperfectie.

Haar uitspraken in het interview in Trouw riepen herkenning op bij columnist Stevo Akkerman. Gisteren, op Goede Vrijdag reageerde hij er op. Hij ziet gelovige mensen vaak krampachtig proberen om de schaduwzijde in zichzelf te ontkennen, te verdringen. Gelovigen proberen zo de hemel naar beneden te trekken die dan onvermijdelijk in scherven valt getuige alle gesneuvelde utopieën, al dan niet van religieuze snit, aldus Akkerman

En dan komt hij, tegen het einde van zijn column tot de volgende mooie uitspraak: Maar dat Pasen een geschenk is blijft voor mij een aanlokkelijke gedachte. En dan gaat het om de verzekering dat wij aanvaard zijn. Dat wij niet te pletter slaan ook als wij weten wie wij zijn. En ook als wij van God niets anders ervaren dan zijn doordringende afwezigheid. Aldus Akkerman.

De twee wandelaars op de Emmausweg zien er in elk geval niet erg blij en verlost uit. Je krijgt de indruk dat zij geestelijk gezien nu juist wel te pletter zijn geslagen nu zij van God niets anders ervaren dan zijn doordringende afwezigheid. Zij beantwoorden aan het plaatje dat Akkerman schetst in zijn column: geprobeerd de hemel naar beneden te trekken die dan onvermijdelijk in scherven valt. Overspannen verwachtingen stukgelopen op de weerbarstige realiteit.

En dan is daar die derde in het gesprek. Het is de opgestane Heer zelf die zich incognito bij deze wandelaars voegt. Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.. Er zit iets genadigs, iets pastoraals in dit meegaan. Jezus had hun gesprek ook abrupt kunnen afbreken. Hij had hun wandeling tot stilstand kunnen brengen. Maar dat is niet wat hij doet. Terwijl zij zo met elkaar in gesprek waren kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee. Hij loopt met hen mee de hele Emmausweg uit. Zo lang als dat nodig is.

Hij voegt zich naar het proces dat in hen gaande is. Hij luistert, stelt af en toe een vraag en luistert opnieuw. Het klinkt bij hen allemaal niet zo blij, niet zo verlost. Maar het weerhoudt de Heer er niet van bij hen te zijn. Al luisterend en vragend brengt Jezus deze twee bij hun verdriet, hun verwondheid. Hoe zei onze columnist dat ook weer? De verzekering dat wij aanvaard zijn, dat wij niet te pletter slaan ook als wij weten wie wij zijn. En ook als wij van God niets anders ervaren dan zijn doordringende afwezigheid. Toen kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.

Wie weet hoe lang Jezus al met u meewandelt. Als de schaduw aan uw rechterhand. Die ongeziene reisgenoot, dichterbij dan jij ooit kon vermoeden. Adembenemend, ontroerend dichtbij. Hoe lang zou hij meebewegen in uw keuzes? Hoe lang zou hij jouw leven al lezen en beluisteren. De maalstroom van gedachten, de overleggingen van je hart. Hoe lang al is hij het die af en toe een vraag of gedachte doet opkomen die iets bloot legt in ons leven te denken geeft, stil zet, uitnodigt tot verdieping?

Als de twee wandelaars hun hart hebben gelucht neemt Jezus hen mee op een wandeling door de Schriften. Daarmee is het eerste wat hij doet hun horizon verbreden, hun denkraam wijder maken. Jullie zijn toch niet zo onverstandig om te denken dat jullie de eersten zijn die geloven? Zo traag van begrip dat je je geheugen hebt gewist en te denken dat je geloof louter rusten kan op je eigen ervaring? Worden we niet omringd door een wolk van getuigen? Staan we niet op de schouders van vorige generaties? Is er niet zoiets als het collectieve geheugen, een schat van verzamelde geloofservaringen. Een lange en sterke geloofstraditie

Bijzonder dat als Jezus het woord neemt hij niet komt met een peptalk om toch eens wat blijer en verloster door het leven te gaan. Hij kiest ook niet de rol van de therapeut die zich beperkt tot begrijpen, bevestigen en hoe er mee om te gaan. Hij neemt deze verdwaalde wandelaars mee op een wandeling door de Schriften. Hij zal hen hebben laten zien wat de rode draad is die door allerlei geschiedenissen loopt en die rechtstreeks voert naar het hart, het karakter, het DNA van God. De wegen van de Heer leren heet dat in Bijbeltaal

Zou de God van Mozes en Elia het werk dat zijn hand begon  nu ineens hebben losgelaten? Hij die ‘er zij licht’ riep tegen de duisternis. Die Abram uit Ur der Chaldeeën riep. Die Jozef uit de put haalde, zijn volk uit Egypte, Daniël uit de leeuwenkuil, Jona uit de vis en de ballingen uit Babel. Zou deze hemelse herder nu ineens zijn schapen in de steek laten? Zich niet over zijn geliefde Zoon hebben ontfermd hem niet hebben verlost uit de muil van het graf?

Deze tocht langs Bijbelse grondlijnen en patronen schept een krachtig en overtuigend portret van een machtige levende God die altijd weer doet wat Hij belooft. Zo geeft Jezus hen helder zicht op de schat die ze eigenlijk al die tijd al onder handbereik hebben maar te lang hebben verwaarloost. Misschien nooit echt goed naar hebben gekeken. En niet eerder zo in gegraven, van geproefd. Nooit zo op zich hebben laten inwerken. Dat is de eerste eyeopener. De Bijbel als een licht op ons pad, een lamp voor onze voet.

Even later in Emmaus is er een tweede eyeopener. Als ze aan tafel zitten en Jezus het brood neemt het zegengebed uitspreekt, het brood breekt en hen geeft. Daarmee herinnert hij hen aan de wonderlijke spijziging en dat hij zich bekend maakte als het brood van het leven dat zou worden gebroken om zo onze honger te stillen, onze leegte te vullen met de wonderlijke vrede van God. Dat beeld van die zegenende delende handen opent hun ogen voor de levende en opgestane Heer.

En als zij weer terug zijn in Jeruzalem is er een derde eyeopener. Het getuigenis van anderen die ook Jezus hebben ontmoet. Het versterkt hun ontwaakte geloof. In plaats van af te haken kiezen ze ervoor juist weer aan te haken en heel bewust andere gelovigen op te zoeken. Dat laat het vlammetje dat is gaan branden verder aangloeien tot een vuur van overtuiging. Het ziet er blij uit en ook behoorlijk verlost die kring daar in Jeruzalem. Geen geforceerde, krampachtige blijdschap. Maar blijdschap die geworteld is. Geworteld in de diepte en rijkdom van de Schriften. Gevoed door het breken van het brood en de fellowship met mede-gelovigen.

Ja, Nietsche heeft volkomen gelijk. Als christenen zo echt léven vanuit de blijde boodschap, zouden we er samen een stuk verloster uit zien. Niet als mensen met een Messiascomplex die zichzelf en elkaar voortdurend overroepen en overvragen. Maar als imperfecte mensen die weten dat we aanvaard zijn. Aanvaard inclusief onze schaduwkanten, ons tekortschieten, onze schuld en onze schaamte. Dat hij vertrouwd is met al mijn wegen, zelfs met verkeerde afslagen, dwaalwegen, zijsporen en doodlopende stukken. Dat lang voordat ik hem zien, herken en lief heb, Hij mij ziet, kent en liefheeft.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie