Een huis voor God (2 Samuël 7:1-18)

2 Samuël 7:1-18

Als je kinderen mag opvoeden krijg je ook veel mee van kinderprogramma’s. Onze kids groeiden op in Vlaanderen. En dus dompelden wij ons jarenlang in de wereld van Studio 100 en Ketnet. Kabouter Plop, Samson en Gert, Piet Piraat, Mega Mindy, K3. Ze waren elke dag vaste gasten bij ons thuis. Wat je je dan nog niet realiseert is dat je die liedjes, stemmetjes, typetjes de rest van je leven niet meer uit je systeem krijgt.

Er was ook Bob de Bouwer. Bob de bouwvakker die allerlei klussen doet. Spud de vogelverschrikker schopt met zijn flauwe geintjes de boel vaak in de war. Maar gelukkig is daar altijd nog Bobs assistente Wendy. En samen met allerlei machines klaren ze de klus. Het liedje dat iedere keer weer terug komt is: Bob, de Bouwer, kunnen wij het maken? Bob de Bouwer, nou en of! En dat is daar op de valreep een iel verlegen stemmetje van Liftie, een onzeker bouwliftje, die dan zegt: ik denk het wel ja…

Ik ben niet zo’n klusser en als ik dan thuis toch iets moet fixen en ik me over mijn aarzelingen heen zet kan zomaar dat Bob de Bouwer-deuntje naar boven komen: kunnen wij het maken? Nou en of. En ergens in mij is er dan ook dat iele stemmetje: ik denk het wel ja. Ik snap dat stemmetje in mij ook wel. Want vaak is er bij mijn projecten wel een situatie wat we bij ons een Jaapmomentje noemen. Bij een Ikeaprojectje houd ik als alles in elkaar zit verontrustend veel onderdelen over. Een Billy-boekenkast, toch niet mega ingewikkeld zet ik weliswaar fluitend in elkaar. Maar als ie dan op zijn plek staat blijkt uiteindelijk één van de boekenplanken toch verkeerd om te zitten, met de ruwe, onafgewerkte kant naar voren zeg maar. Daar komt een volgende keer dat stemmetje dan vandaan. Kunnen wij het maken? Ik denk het wel ja.

Kunnen we het maken? Ik denk het wel ja. Dat twijfelachtige stemmetje, zit ergens ook tussen de regels in 2 Samuel 7. Koning David is er zeg maar bezig in de mood van Bob de Bouwer. Hij heeft zijn zaakjes goed voor elkaar. In het buitenland heeft hij orde op zaken gesteld van de Filistijnen heeft hij geen last meer. Goliath is dood, Saul is dood, en David is alive and kicking. Hij doet het uitstekend in de peilingen. Hij heeft net een splinternieuw paleis laten optrekken in Jeruzalem. En van daaruit, in een steady situatie heeft koning David de touwtjes stevig in handen.

Zijn positie wordt nog sterker als hij de heilige ark van God naar Jeruzalem haalt. Een soort gouden kist met heilige voorwerpen er in met de engelfiguren en grote vleugels er bovenop. De ark was een soort van mobiel heiligdom die functioneerde als de plaats van Gods aanwezigheid. Deze ark was tijdenlang zoek geweest maar David had hem met veel toeters en bellen in een megagrote processie dwars door het land naar Jeruzalem laten brengen en in ere hersteld. Het zal zijn positie alleen maar hebben verstevigd. Nu heeft David ook God nog aan zijn kant zeg maar.

Maar David is nog niet uitgeklust. Hij wil een huis voor God gaan bouwen. Kijk nu toch, zegt David, Ik woon in een paleis van cederhout terwijl de ark van God in een tent staat. Het kan toch niet zo zijn dat ik er zo warmpjes en steady bij zit in een comfortabel paleis. En dat we God afschepen met een kist. Dat God altijd maar moet kamperen in een tent. Een huis voor God, dat is ons nieuwe project.

Het lijkt zo op het eerste gezicht een sympathiek plan. Kunnen wij dat maken? Nou en of! En tegelijk denk je er dat stemmetje bij: Ik denk het wel ja. Er zit ergens ook iets dubbels in dit bouwproject. Het heeft misschien met de volgorde van de dingen te maken. David heeft eerst zijn eigen zaakjes piekfijn geregeld. En pas daarna, als hij daarvan is bekomen, komt hij op het idee om iets voor God te doen. O ja, verroest, daar moet ik misschien ook nog iets mee. God lijkt hier vooral een sluitpost in Davids boekhouding. God is een projectje dat David er ook nog even bij doet. Je rent, en draaft en zwoegt dag in dag uit voor je eigen dingen. En o ja, verroest, ik moet toch eigenlijk ook nog wel iets aan God doen.

Je krijgt ergens de indruk dat als God in de hemel. Hoort van Davids bouwplannen, dat hij dan in de lach schiet. Zo’n moment als in psalm 2: die in de hemel troont, lacht! Het moet God nogal absurd in de oren klinken. God de Schepper van een oneindig universum die op een pietepeuterig klein planeetje een kleine sterveling ziet die omhoog kijkt en zegt: zal ik nu eens voor U een fijn huis bouwen? Het heeft wel wat weg van de bekende grap van de muis en de olifant die over de brug lopen, en dat de muis tegen de olifant zegt: wat stampen we lekker, hé?

Maar, als God al gelachen heeft op dit moment, dan lacht hij David tot zeker niet uit. God wordt ook niet boos of cynisch. Er volgt een vriendschappelijk, vertrouwelijk gesprek. Waarin God de zaken weer in perspectief plaatst. Kijk eens waar je vandaan komt beste vriend. Is wie je nu bent en wat je hebt bereikt resultaat van jouw eigen bouwplannen? Wie is hier eigenlijk de bouwer, David? Jij of ik? Bouw jij Mij? Echt? Denk je dat echt? Denk je niet dat het andersom is? Dat ik jou bouw? Je ziet toch wel dat ik door jou heen iets aan het doen ben. Iets zichtbaar te maken van wie ik ben en wil zijn? Een koninkrijk van vrede en recht en barmhartigheid. Het goede leven zoals Ik dat altijd al bedoeld heb.

En weet je David, dat wat ik aan het doen ben in jou. Daar ga ik mee door, ook bij jouw nakomelingen. Ik bouw voor jou een huis, een koningshuis dat zal blijven voortbestaan en niet zal wankelen. Je leest er bijna overheen maar dit is echt een doorbraak. Tot die tijd in de dagen van Mozes, Jozua en Samuël had God altijd voorwaarden gesteld aan zijn beloften. Als jullie leven naar mijn leefregels, als jullie gehoorzaam zijn, als jullie geen andere goden achterna gaan, dan zal Ik van mijn kan jullie zegenen.

Maar hier gaat God een stap verder en zegt Hij: ik zal ervoor zorgen dat via deze Davidslijn mijn plannen met jullie gestalte zullen krijgen. Vanaf dit moment ontstaat er binnen Israël een gemeenschap van hoop. De hoop dat er in iedere generatie opnieuw een zoon van David zal opstaan die de dingen recht zal zetten. Mijn plannen zijn niet meer te stoppen David. Het huis dat ik voor jou en voor alle mensen bouw zal er hoe dan ook komen.

Wat een risico neemt God hier. Om zijn plannen te verbinden aan een specifieke familie en stamboom. Inderdaad een behoorlijk risico. David zelf laat al snel forse steken laten vallen. Bij Salomo en veel andere koningen in deze lijn is er veel verval, veel vervlakking, uitholling Het vuur dooft, ze gaan voor zichzelf leven. Dat hele Davidische koningshuis brokkelt af en na 400 jaar is er niets meer van over. Geen zoon van David meer te bekennen. En je denkt: God had beter zijn opties opengehouden. Niet al zijn kaarten op het huis van David gezet. Dan had Hij onderweg kunnen switchen naar een vromere familie. Naar beter grondpersoneel.

Even voor de liefhebbers. De evangelist Lukas heeft ook een stamboom van Jezus. Hij begint bij Jezus en trekt de lijn ook terug naar David maar bij Lukas loopt die lijn niet via de koningen. Hij ziet een andere lijn via priesters teruglopen op David. Voor Lukas staat Jezus niet in de lijn van de baasjes maar in een lijn van priesterlijke types. Zo heeft God zijn huis gebouwd voor de mensen niet door de haantjes, de machers, de ego’s maar door mensen in de luwte, buiten de spotlights, priesterlijk figuren, die de vlam brandend hielden. Dragers van Gods Geest, verspreiders van zijn vrede.

Het bijzondere is dat God David tegemoet komt. Er zit in God tegemoetkomendheid. Hij heeft zijn eigen plannen en bedoelingen maar komt ons tegemoet in wat wij nodig hebben. Liever had hij geen koning, maar als de mensen erom vragen, dan geeft hij ze een koning. Liever heeft hij geen huis. Maar als de mensen erom vragen dan komt er toch een tempel. Als een plek waar mensen iets kunnen zien en ervaren van wie God is. van zijn schoonheid, goedheid, waarheid, vrede.

Tegelijk spreekt God ook duidelijk uit waarom hij zelf terughoudend is over Davids plan voor een huis voor God. Hij zegt: Wil jij voor Mij een huis bouwen om in te wonen? Ik heb toch nooit in een huis gewoond? Vanaf de dag dat ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe. Al die tijd trok ik rond in tent en tabernakel. Er zit in God iets soevereins, iets van vrijheid. Hij is autonoom en vrij in zijn komen en gaan. God kan niet gefixeerd worden, niet vastgelegd. Hij kan niet worden opgesloten, niet worden opgesloten. Hij is de Gans andere.

God komt de mensen tegemoet. Een volgende generatie mag een huis voor God bouwen. Maar God maakt duidelijk dat het niet zijn plan is. Hij is een God die bij voorkeur rondtrekt, die komt en gaat, zijn momenten kiest zijn eigen wegen gaat, hoger, anders dan de onze. God moves in mysterious ways.

De tempel die Salomo zal gaan bouwen zal voor een beperkte tijd staan. Veel belangrijker is het huis dat God zal bouwen. En dat huis dat God bouwt is niet van steen maar van vlees en bloed. Dat huis krijgt gestalte in een rondreizende rabbi in Israël. Een rondtrekkende Messias die vrij en soeverein is. Zelf zijn momenten kiest, zijn eigen sporen trekt. Zich niet statisch terugtrekt in een tempel. Waar je met heel veel mazzel, en na lang wachten misschien ooit even op audiëntie kunt komen. Hij trekt er op uit en zoekt mensen op waar ze zijn.

Johannes de evangelist zegt van hem: het woord is vlees geworden en heeft onder ons getabernakeld, getent. Zo is onze God. Die trekt met ons op. Slaat zijn tent op waar wij zijn. Slaapt waar wij slapen, woont waar wij wonen. Doorstaat dezelfde stormen

Steeds proberen mensen hem te strikken. In hokjes en vakjes te stoppen. En hem zo te framen, te labellen en in te kapselen in ons denken. Steeds willen wij mentaal en geestelijk een huisje voor hem bouwen in onze formules en doctrines. In onze beelden van hem die doorklinken in hoe we over hem spreken, in wat we zingen, in wat we belijden ook. En steeds ontsnapt Jezus aan dit soort huizen. En trekt de bouwseltjes en bunkers waar wij ons in verschansen omver. Wil jij voor mij een huis bouwen? Ik bouw voor jou een huis.

Nog even terug naar 2 Samuel 7. God zegt: Jij bouwt geen huis voor mij David. Ik bouw een huis voor jou. Hoe reageert David hierop? Koning David ging het heiligdom binnen nam plaats voor de Heer en bad: wie ben ik Heer mijn God. Wat is mijn familie dat U mij zover hebt gebracht? David gaat voor God zitten. Hij schuift zijn bouwplannen aan de kant. Laat zich stoppen, laat zich stilzetten. Wat een zegen als je je kunt laten stilzetten.

David zit hier maar niet in doffe berusting. Er gebeurt in hem iets heel wezenlijks, iets heel actiefs. Daar, op zijn knieën voor God worden zijn plannen verwisseld door die van God, worden de verhoudingen weer zoals ze werkelijk zijn. God wordt weer God, altijd groter dan wij denken. En David is weer David, nederige dienaar van deze grote God. Het gebed dat dan volgt is werkelijk prachtig. In plaats van vol van zichzelf en barstend van ambitie, geldingsdrang en zelfingenomenheid is Hij vol van wie God is. zeventien keer noemt hij God bij naam. David realiseert zich weer dat het niet gaat om zijn ‘Godplannen’. Maar dat het gaat om God zelf. Om vriendschap met hem.

Walter Brueggeman, kenner van het Oude Testament, noemt juist dit hoofdstuk 2 Samuël 7 het dramatische en theologische midden van de boeken I en II Samuël. En een van de belangrijkste teksten in het Oude Testament voor ons leven als christen vandaag, hier en nu. Onze beste intenties brengen ons vaak in de grootste moeilijkheden. De meest glorieuze activiteit die er in ons leven kan plaats vinden is wanneer wij leren zitten en Gods Geest het werk van Christus in ons en door ons heen doen kan.

David was net als wij ambitieus bol met plannen en projecten. Maar telkens als hij zichzelf daarin verloor werd Hij door God zelf teruggebracht naar zijn werkelijke thuis. Over die momenten zegt David zelf: Ik vraag aan de HEER één ding, het enige wat ik verlang: wonen in het huis van de HEER alle dagen van mijn leven, om de liefde van de HEER te aanschouwen, hem te ontmoeten in zijn tempel.

In Johannes 14 vertelt Jezus zijn leerlingen dat hij voor ons een plaats bereid in het Vaderhuis dat heel veel kamers heeft. En als dat voor de leerlingen wat ver weg blijft legt hij uit dat een huis voor God nog veel dichterbij is dan dat. Jezus spreekt dan over zijn Geest en zegt: hij woont in jullie en zal in jullie blijven. Later zal Jezus dat keer op keer benadrukken: wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.

Beste doopouders, wat een bemoediging voor jullie. Bouw een fijn, warm, veilig huis voor je kind, voor je gezin. Houdt daarin de vlam van het geloof brandend. Vertel, zing, bid, huil, werk, bid, lach, bewonder. En doe dat met veel vertrouwen in God die jullie en je kind vandaag belooft: ik zal voor jou een huis bouwen. Dat huis voor God dat is Jezus. En als je werkelijk leeft met Hem. Als hij echt je huisvriend is. Dan kun je ook zeggen: dat huis voor God, dat zijn jullie. Tempels van de Geest, huizen voor God. voor elkaar en voor je pad kruist. Plaatsen waar Jezus woont in harten van mensen. Huizen van licht in een donkere wereld.

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie