Een ‘Habakukje’ (Habakuk 3,17-19)

(Habakuk 3:17-19; Acda en de Munnik – twee liedjes over Herman)

Ik wil het nog even met je hebben over Herman. Vorige week hadden we het over hem. Je weet wel, die man uit dat liedje van Acda & De Munnik. Hij zat daar met zijn ziel onder zijn arm bij de vijver in het Amsterdamse Vondelpark. We hadden het over dat ene treffende zinnetje uit het lied: als het vuur gedoofd is, komen de wolven. Over een druk en dynamisch leven boven de radar terwijl onder de radar het pitje laag staat. Velen van ons herkennen dit gevoel ergens wel. Dat droog staan, die slijtage op je ziel. Dat je van binnen leeg kunt zijn en moe en mat. Geen heilig vuur, geen brandstof voor je ziel. En hoe ga je daar dan mee om? In deze preek zoeken we samen naar wat bouwstenen.

 Het liedje van Acda & De Munnik ‘als het vuur gedoofd is’ vormt een tweeluik met het liedje: ‘het regent zonnestralen’. In het eerste liedje is er de uitvaart van Herman. Maar in het tweede liedje blijkt Herman springlevend. Door een wonderlijke speling van het lot denkt iedereen dat Herman is omgekomen bij een auto-ongeluk, zijn auto crashte en werd volledig uitgebrand teruggevonden. Maar Herman had die auto net voor dit ongeluk verkocht. Iedereen neemt aan dat hij omkwam, er volgt een officiële begrafenis. Herman leest dat in de krant en besluit iedereen in die waan te laten

Het is wel een aanstekelijk liedje, qua melodie en sfeer en je ziet die handige Herman voor je daar heerlijk in het Franse zonnetje op een terrasje. Met een brede grijs achter zijn zonnebril. En je vraagt je af, zal hij er in slagen, deze handige Herman, om het nu anders te gaan doen? Gaat het vuur in zijn leven weer echt branden? Het zou een leuke creatieve opdracht zijn. Bedenk zelf eens het vervolg, Herman deel 3. Het regent in dit lied dan wel zonnestralen. Maar het lied heeft een nogal open einde: Nu een week geleden en hier zat ‘ie dan maar weer. Met meer vrijheid dan hem lief was, en nou wist hij het niet meer, als dit het is, is dit het, en we zullen het wel zien.

Zangers als Acda & De Munnik geven een eigen antwoord op levensvragen. Ik weet niet of jij heel bewust op die manier naar liedjes luistert. Of naar films kijkt of series volgt op Netflix. Maar of we ons er nu bewust van zijn of niet. Er worden antwoorden gegeven, er wordt een weg gewezen, we worden vertrouwd gemaakt met een manier van denken, leven. En als je je maar lang genoeg en vaak genoeg laat onderdompelen in zo’n denkwereld ga je zelf ook zo kijken en denken en kiezen.

Dit specifieke liedje over Herman wijst de weg van ontsnappen, van escapisme. Van wegvluchten uit waar je bent en het geluk elders zoeken. Het ‘als dan’-denken: als ik nu eerst maar eens zus of zo zou hebben bereikt, ja dan zou ik gelukkig zijn. Dan zou het vuur weer terugkeren in mijn ziel.

In onze tijd gaan heel wat mensen deze weg. Soms uit vrije keuze, soms noodgedwongen door de keuze van de ander. Het is een verleidelijke gedachte. Als ik mijn leven kon resetten? Nieuwe keuzes zou kunnen maken? Dan wordt ik vast gelukkiger. Gaat het vuur weer branden. De Bijbel gaat ook over levenskunst. Geeft op levensvragen heel eigen antwoorden. We staan even stil bij een paar verzen uit Habakuk 3

Alles staat bij Habakuk op een laag pitje. Letterlijk, er is geen olie in de lampen. Want de olijfboom draagt geen vruchten. De wijnglazen blijven ook leeg. Er is nauwelijks brood op de plank, laat staan vlees in de pan. Grauwe gezichten, ogen zonder een vonk. Sjagrijn, kribbigheid. Het is een tijd van schaarste, van crisis. Niet alleen materieel, maar ook moreel en geestelijk.

Als het vuur dooft komen de wolven. Nou, dat is precies wat Habakuk ziet om zich heen. Het vuur van geloof, hoop en liefde is gedoofd. En de wolf in de mens is wakker geworden. De jager, die vooral nemen wil en niet snel genoeg heeft. De wolf ook in hoe mannen naar vrouwen kijken en andersom. De wolf in de survival of the fittest. Wie even niet meekomt, wordt afgeschreven en is aan zichzelf overgeleverd. De wolf in de graaier, de haatzaaier, de populist. En Habakuk ziet aankomen dat vroeg laat hier een prijs voor wordt betaald. Dat God de Heer dit niet laat gebeuren. En dat knaagt aan hem, dat vreet aan hem. Ik beefde van binnen, mijn lippen trilden, mijn botten werden aangevreten. Ik stond te trillen op mijn benen.

Bijzonder is het, deze houding van Habakuk. Hij is nauw verbonden met zijn tijd. Proeft de tijdgeest, dat raakt hem zeer. En toch proef je bij hem geen vluchtgedrag. Als het vuur dooft, verdrijft hij de wolven, de wolven in zijn hoofd en om hem heen. Pakt hij zijn gitaar en zingt hij. Toch zal ik juichen voor de Heer, jubelen voor de God die mij redt. Als het vuur dooft, pak ik mijn gitaar en zing ik. Daar zit iets wonderlijks in, iets tegendraads. En dat spreekt hier vooral uit dat ene woordje: toch! Toch, toch zal ik juichen voor de Heer, jubelen voor de God die mij redt. Je zou dat een Habakukje kunnen noemen. Habakuk is geworteld in een bepaalde weg. Hij heeft zich een levensstijl eigen gemaakt. Goede sterke gewoontes ontwikkeld

En het krachtige is dat hij zich daaraan houdt. Juist in lastige tijden, of het nu goed voelt of niet, zin of geen zin, toch bidt hij, toch zingt hij, toch spreekt hij zich uit. Als het vuur in ons dooft, kan er een deken van zwijgen over onze ziel liggen. We spreken ons hart niet meer uit. Niet naar elkaar toe, niet naar God toe. Het gaat steeds minder over wezenlijke dingen. We vluchten daar van weg. Zijn druk op onze schermpjes in de weer. Het is denk ik een tactiek van de tegenstander. Om ons zo te isoleren van onszelf, de ander en God. Ons zo ook los te snijden van onze bronnen.

Er is al zoveel gewonnen als die stilte doorbroken wordt. We elkaar af en toe bevragen op hoe het met onze ziel gaat. Ons hart luchten, ook naar God toe. En dan niet de schijn op houden en fatsoenlijke, gewenste gebeden uitspreken maar heel eerlijk benoemen hoe het is. De traagheid, de onverschilligheid, de doodsheid, de enorme afstand, de mist, de leegte. Zo begint het boekje Habakuk, met een intense schreeuw, een hartekreet: Hoe lang nog, Heer, moet ik om hulp roepen en luistert u niet? Moet ik geweld schreeuwen en brengt u geen redding?

 En dat doet hij niet bij vlagen, af en toe. Het is een levenshouding van Habakuk. Hoofdstuk 2 begint met alwaar zo’n kenmerkend vers: Ik ga nu op mijn wachtpost staan. Betrek mijn post op het bolwerk. Kijk uit om te zien wat de Heer mij zal zeggen. Wat hij mij antwoordt op mijn verwijt. Proef je hoe aandachtig Habakuk leeft? Zo gespitst op een woord van de Heer. Lijkt me iemand die een gebedschrift bijhoudt. Regelmatig zijn leven scant, zijn ziel leest. Wat speelt er in mijn leven? Soulsearching. En wat zou de Here God er in van mij vragen?

Je uitspreken, een aandachtige levenshouding. En hier in deze slotverzen proef je dat Habakuk nog een andere goede gewoonte heeft ontwikkeld. Hij zingt. En dan niet alleen op blije dagen. Maar ook en misschien wel juist als het vuur gedoofd is en de wolven komen. Hij zingt zijn geloof niet alleen uit. Habakuk zingt zijn geloof dan vooral in! Toch, toch zal ik juichen voor de Heer, jubelen voor de God die mij redt. God de Heer is mijn kracht

 Je komt zulke Habakukjes vaker tegen in de Bijbel. Bijvoorbeeld in de psalmen. Dat iemand zingt tegen zijn gevoel in zoals in psalm 73: al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam. De rots van mijn bestaan, al wat ik heb is God, nu en altijd. Of in psalm 130 die we hebben gezongen: Ik blijf wachten tot U komt, Heer, mijn God. Ik blijf nog sterker op U wachten. Dan een mens in lange nachten, wacht op licht, het morgenlicht. En je merkt dat God in zo’n lied meekomt. Hij woont volgens psalm 22 op de lofzangen van zijn kinderen. Het is misschien nog juister om te zeggen dat God zo’n lied zelf geeft. In Job 35,10 krijgt God een mooie naam: God mijn maker die psalmen geeft in de nacht. Zoiets proef je ook in psalm 42 waar we lezen: ’s nachts zal zijn lied bij mij zijn, een gebed tot de God van mijn leven. Een lied dat, hoe donker de nacht is, wonderlijk bij je is. Werk van de Geest die in ons zucht en in ons zingt.

En het wonderlijke is, dat als je dan begint te zingen de Geest ook weer meer de ruimte krijgt in je leven. En je je zo van je zorgen vrij zingt. Dat waar je onder gebukt ging en in gevangen zat wordt al zingend soms van je afgenomen. En het vlammetje op een laag pitje laait weer op. Kan weer een vuurtje worden dat verlicht en verwarmt. In Efeziërs 5 wordt dat verband ook gelegd: Tussen zingen en de mate waarin de Geest in ons woont: in één adem zegt Paulus: laat de Geest u vervullen en zing met elkaar psalmen, hymnen en liederen die de Geest u ingeeft, zing en jubel met heel uw hart voor de Heer.

Zingen is twee keer bidden zeggen de kerkvaders. Zingen verdrijft de wolven, de demonen, de duistere machten. Zingen is deel van geestelijke strijd, van vechten dus, in plaats van vluchten. Psalm 50,23 zegt dat heel krachtig: wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer, wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt. Denk aan Paulus en Silas in Handelingen 16. Waar juist als zij zingen de boeien openspringen. Denk aan Jezus die juist in zijn donkerste nacht voordat hij het ultieme gevecht met de boze zal leveren, een loflied zingt: en nadat ze de lofzang gezongen hadden vertrokken ze naar de Olijfberg.

Zingen verbindt je weer met je bronnen. Brengt weer brandstof in je ziel. Zingen geeft je weer nieuwe moed en veerkracht. Voor Habakuk voelt het aan als een hert, een hinde die met speels gemak over de hoogste obstakels springt. God de Heer is mijn kracht. Hij maakt mijn voeten snel als hinden, Hij laat mij over mijn bergen gaan.”

 Mijn vraag vanmorgen aan jou en mezelf is deze. Wat is sterker aanwezig in je leven? De ‘als dan’ reflex of de ‘en toch’ houding. Laat je je steeds toch weer leiden door ‘wat goed voelt’? Of leer je te geloven, te hopen, lief te hebben tegen de klippen op, soms tegen je gevoel in? Of je gaat voor de vluchtigheid of de verdieping, wordt bepaald in talloze kleine keuzemomentjes iedere dag opnieuw. Momenten waarop je kiest voor vluchtigheid of verdieping. Voor zwijgen of de stilte doorbreken. Voor toegeven en meegaan en je gewonnen geven of standhouden en je geestelijke wapenrusting hanteren.

In de Poolse stad Warschau vind je een inscriptie gekerfd in een oude muur. In de 2e WO zat daar ooit een Joodse jongen gevangen. Vele duizenden Joden werden opgepakt en afgevoerd naar de kampen. Deze jongen was één van hen. En hij kerfde in de muur van zijn cel heel diep en helder leesbaar: zijn eigen geloofsbelijdenis. Zijn eigen Habakukje. Er staat dit: Ik geloof in de zon, ook als ze niet schijnt. Ik geloof in de liefde, ook als ik haar niet bespeur. Ik geloof in God, ook als ik hem niet zie.

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie