Duizendmaal dank! (Lukas 17: 11-21)

(Lukas 17:11-21)

We komen Jezus tegen ergens aan de rand. Op de grens van Samaria en Galilea. Vanuit Jeruzalem gezien woont hier het klootjesvolk, dat maar wat aan klooit en op geen enkele manier voldoet aan welke religieuze standaard dan ook. Veel godsdienstige Joden in die dagen mijden deze regio als de pest. Reizen er om heen, leven er om heen. Want dit zijn niet ons soort mensen. Dit is niet helemaal mijn scéne, zouden wij zeggen. Zo leven we subtiel om het ongemak heen.

Juist hier, in deze uithoek vinden we Jezus. Lukas vertelt om precies te zijn dit (volgens de HSV) En het gebeurde, toen Jezus naar Jeruzalem reisde, dat Hij dwars door Samaria en Galilea trok. Niet terughoudend, niet behoedzaam laverend. Hij had veilig op de hoofdwegen kunnen blijven. De dorpen en gehuchten links laten liggen. Maar hij gaat er letterlijk dwars doorheen. En als hij een dorp binnengaat zit daar net buiten de bebouwde kom een hoopje ellende. Tien hoopjes ellende eigenlijk. Ze komen Jezus tegemoet en blijven op afstand staan. Dat is deel van hun ellende. Ze hebben een rottige besmettelijke huidziekte. Ze zijn geparkeerd buiten het dorp in een miserabel tentenkampje. Op afstand.

Gemeden als de pest. slecht karma, niet gezegend maar vervloekt. Zonder Gods zegen, zonder geliefden. Af geserveerd, afgeschreven, onderaan de pikorde Achterin de bus, hoorde ik iemand van de week zeggen. Je doet niet mee, je staat aan de kant. Je draagt een stigma, je eigen schaamte doet de rest. Ze bleven op een afstand staan. Paria’s, onaanraakbaren, mensen om wie je inderdaad bij voorkeur wat heen leeft.

Ze zullen ratels bij zich hebben gedragen om de naderende groep bezoekers te waarschuwen voor besmetting. Maar de ratels worden overstemd door een schreeuw, een noodkreet, die door merg en been gaat. Ze verhieven hun stem: Jezus, Meester, heb medelijden met ons. Kyrie eleison, ontferm U. Heb Eleos Heer, compassie, genade. Jezus kijkt niet weg maar ziet hen: Toen Hij hun zag. Het is niet zomaar naar het kijken. Niet een vluchtige blik op hen werpen. Er staat een intens woord ‘zien’, doorzien. Aandachtig waarnemen, zien met het hart.

Hij stuurt hen naar de priesters om zich door hen rein te laten verklaren. En het wonderlijke is, ze doen het. Wat ze zien en voelen is hun huid vol korsten en zweren, een ziek lichaam. Maar wat ze horen is een woord van Jezus. Ze proeven er gezag in, autoriteit, macht. Ze geven er gehoor aan en zetten een stap in geloof. Het is echt een ‘leap of faith’, een sprong in het donker onderweg zijn ze vast weggehoond, uitgescholden. Mensen zijn terug gedeinsd, hebben hun kinderen binnengeroepen. En ja, ze hadden al snel weer kunnen terug kruipen. In hun miserabele hutjes daar buiten het dorp. Maar er is hen iets losgemaakt, iets wakker geroepen dat zich niet laat tegenhouden. Het machtswoord van Jezus stuwt hen voort: ga! Go!

En ze worden inderdaad gereinigd, rein verklaard. De vloek is verbroken, de ban is opgeheven. Door de donkere wolken breekt de zon door. Het leven lacht hen weer toe, de deuren zwaaien open en je kunt je voorstellen dat het eerste wat je dan doet is als een speer terug gaan naar je geliefden, naar huis, je geliefden in de armen vliegen, selfies maken en posten, reageren op likes en berichtjes, een afterparty organiseren, een telefoontje naar je werkgever kortom: ineens heb je een hele to-do lijst. Je bent weer terug in de ratrace. En al snel lijkt het alsof je nooit weg bent geweest.

Een van de tien maakt een andere keuze. Hij ziet dat hij genezen is. Weer datzelfde woordje zien. Niet vluchtig kijken, maar door de dingen heen zien. Kijken met het hart, tot je laten doordringen wat er gebeurt. Hij ziet dat hij genezen is en hij keert terug. Een sleutelwoord in de Bijbel: terugkeren. Je omdraaien, je bekeren. Het gaat gepaard met een grote intensiteit: Hij ziet dat hij genezen is, hij keert terug, hij looft God met luide stem. (een megastem) Hij werpt zich plat op de grond voor Jezus voeten met zijn gezicht op de grond. En spreekt zijn dank uit. Hij geeft zich helemaal en zonder reserves. Met hoofd, hart en handen, een en al lof en dank. Hij verliest zich helemaal in Jezus.

Even is daar alleen deze man en Jezus. Totale toewijding, intense aanbidding. Grote dankbaarheid met een megastem. Compleet van zijn sokken geblazen. En Jezus zegt dan iets opmerkelijks: sta op en ga verder, je geloof heeft je gered. Let er even op wanneer en tegen wie Jezus dit zegt. Hij zegt het tegen deze ene man. En op het moment dat hij ziet wat hij ontvangt. Zich omkeert, terugkeert en dankzegt. Zo heeft zijn geloof hem gered. Langs de weg van dankzegging.

Het woord voor dankzeggen hier in Lukas 17 is eucharisteo. Een mooi woord met een soort wederkerigheid in zich. Want het woord charis betekent zowel genade als dank. Genade die je ontvangt en dank die je daarvoor uitspreekt. Kerkvaders hebben er ook het woord chara in gehoord dat betekent vreugde. Het gelaagde woord eucharisteo verbindt dus vreugde, genade en dankzeggen. Hoe meer ik zie dat wat ik ontvang genade is. Onverdiend, gratis, om niet. Hoe hoger mijn vreugde en hoe dieper mijn dankbaarheid. Dat is wat we zien bij deze tien melaatsen. Bij negen van de tien komt de zegen niet verder dan de oppervlakte van hun bestaan: hun huid. Ze plukken vruchten van Jezus maar beseffen niet dat het genade is. Het verbindt hen niet aan Hem. Het gaat hen om de gaven, niet om de gever. Daarmee is de vreugde vluchtig en de dank flauw. Als Lukas zijn statistieken op orde heeft is dat dus negen van de tien keer het geval. Toen en nu. Deze tiende doorziet wat hij ontvangt, laat het op zich inwerken als genadegave. Hij keert zich om, keert terug en dat leidt tot diepe dank en uitbundige vreugde.

U hebt vast wel eens gehoord van Albert Schweitzer. Theoloog, filosoof, musicus en ook arts. Een alleskunner. Hij gaf zijn geslaagde en bevoorrechte leven op om maar liefst 50 jaar lang te gaan wonen en werken onder Leprozen in Lamabarene, Afrika. Met melaatsen dus.  En juist van hem komt de volgende uitspraak: ‘Het grootste goed is dank te zeggen voor alles. Hij die dit heeft geleerd, weet wat het betekent om te leven. Hij heeft het mysterie van het leven doorgrondt: Dank zeggen voor alles.’ Eucharisteo.

Dat is ook wat Jezus zelf belichaamt. Onze lezing uit Lukas 17 begint met de zin: Op weg naar Jeruzalem. Deze ontmoeting tussen Jezus en deze melaatsen vindt plaats terwijl Jezus nadrukkelijk op de kruisweg reist. En daar in Jeruzalem op amper 11 uur van zijn kruisiging is een van de laatste dingen die we van deze Jezus lezen: en hij nam een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun. En hier dus opnieuw dat wonderlijke woord: eucharisteo. Dat is een van de laatste dingen die we hem zien doen: Eucharisteo, dankzegging, genade, vreugde. Markus voegt er aan toe: toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg.

Mind you, Jezus beoefent eucharisteo terwijl de schaduw van het kruis over de tafel valt. Dat is wat Paulus ons wil inprenten bij de instellingswoorden: In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam hij een brood, sprak het dankgebed uit, brak het. In de nacht dat de hamer en het ijzer door zijn lichaam zal gaan aanvaardt Jezus wat God geeft als genade.

En vindt Hij ondanks alles daarin vreugde. Het is een houding die bij Jezus hoort. In Matteüs 11 stuit Jezus op hardnekkige afwijzing. Hij verwijt steden als Chorazin  en Bethsaida. Dat ondanks allerlei wonderen en tekenen zij niet terugkeren. En precies dan lezen we: In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U Vader Heer van de hemel en aarde. Temidden van wat een puinhoop lijkt, als alle hoop je zou ontvallen, en je zou verwachten dat Jezus zegt: ik kap er mee, zegt jezus dank en hervindt zo vreugde, genade. Dankzegging gaat dus kennelijk vooraf aan vervulling, heling. Dankzegging is de manier waarop de genade zich voltrekt. Op de manier van dankzegging deel ik in een vervuld leven.

Ann Voskamp schreef het boek duizendmaal dank. Dat is letterlijk wat zij is gaan doen. Er is in haar leven een stil en groot verdriet en in en om haar huis en gezin is ook genoeg moeite en tegenslag. Ze legt een dankschrift aan en daagt zichzelf uit om duizend dankpunten op te schrijven. Die ze vindt heel dichtbij, vlak voor haar neus. De ondertitel van haar schitterende boekje is: zoek het ware leven waar het te vinden is: vlak voor je neus! Zo oefent ze zich in ‘zien’, Om ogenschijnlijk kleine, triviale zingen heen te leren herkennen en beleven als genadegaven. Godmoments. lichtstralen, knipogen van God.

  1. Dikke laag jam op beschuit.
  2. Wind die wild door koude haren woelt
  3. De snelkookpan die staat te dansen op het vuur
  4. Maanlicht op kussens
  5. Warme wolle coltruien
  6. Nog warme koekjes
  7. Blote tenen in het vroege licht
  8. Het kakelen van kraaien hoog in de takken
  9. Post in de brievenbus
  10. Geschater van een spelende kinderen in de tuin

Soms moet ze eucharisteo echt veroveren tegen haar gevoel in toch dankzegging oefenen. Ze dankt de bitterheid en benauwdheid en het chagrijn weg. Ze dankt zich een weg naar het hart van God. Zo ontdekt ze dat dankzegging vaak voorafgaat aan het wonder. Dat dankzeggen de weg is die haar steeds terug brengt bij God. Zo eindigt psalm 50: Wie lof offert, eert Mij, en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien.” Lof baant de weg.

Nog even terug naar Lukas 17. Net na dit genezingsverslag is er het gesprekje tussen Jezus en enkele Farizeeën. Over waar en wanneer het koninkrijk van God zou komen. Dan zegt Jezus iets opmerkelijks: Het koninkrijk van God is onder u. Het koninkrijk ligt binnen uw bereik. De NBV vertaalt: het koninkrijk is binnen in u. Het is misschien niet geheel toevallig. Dat Lukas dit gesprekje juist hier plaatst. Daar ligt die man bij wijze van spreken nog te danken. En dan is er het woord van Jezus: het koninkrijk is binnen uw bereik. Kijk wat zich hier voltrekt, zie deze man. Zie genade aan het werk, hoor hem God vinden langs de weg van dankzegging. Zie Mij en wat één woord van Mij vermag.

Ik las pas in Trouw een prachtig gesprek met Johan Lock. Hij is zeg maar een post-evangelikaal. Schreef het indrukwekkend boek de erfenis van Adriaan over zegen en gedoe in een evangelische gemeente. In een interview in Trouw vertelde hij over de tijd dat hij op het bezetene af God naar beneden wilde bidden in de vorm van wonderen en bekeringen. ‘Jarenlang was God iets buiten mij. Ikzelf deed er eigenlijk niet zo toe. Ik was hoogstens een leeg vat dat door hem gevuld moest worden.’ Het geloof was zo scheef getrokken dat het ontbrak aak liefde, waardering en dankbaarheid voor alles wat ik bezat.

De tekst ‘het koninkrijk is binnen uw bereik’ bracht hem op een ander spoor: Hij realiseerde zich dat het ware leven zich al die jaren vlak voor zijn neus bevond. Hij ging het met nieuwe ogen bekijken en bedacht: Dit huis, dit gezin, deze vrienden, dit werk, deze boeken en films, dat alles vormt mijn bestaan. Het koninkrijk is binnen uw bereik. Of in de taal van Ann Voskamp: vlak voor je neus.

Aan het slot van onze lezing kijkt Jezus om zich heen en vraagt dan: waar is de rest? Zijn er niet tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen? In het Joodse denken staat tien vaak voor het geheel. En Jezus kijkt daarmee ook naar alle omstanders. Wilde niemand anders terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling? En Jezus kijkt ze bij wijze van spreken één van één aan. Stuk voor stuk. Niemand anders?

En dan blijft het stil. En is er daar op dat moment. Inderdaad niemand anders die zich naast deze man op de grond werpt en zegt: here’s my heart Lord. Jezus staat in zekere zin nog altijd om zich heen te kijken waar is de rest? Hij kijkt ook ons aan. Nodigt ons uit om plaats te nemen naast deze man, op je knieën. Iedere dag tot een dankdag te maken en je altijd weer te oefenen in eucharisteo.

Leestip: Ann Voskamp, Duizendmaal dank

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie