De lampen brandend (Preek Lukas 12,35-38)

(Lukas 12:35-38 – luisterlied: Maranatha – Sela)

Ja? Klaar? Kom op jongens! Nu even het koppie erbij! He, even opletten nu! Concentratie. Focus! De docent voor de klas, de coach op een cursus, de trainer op het veld, ze houden je bij de les. Een piepje of lampje in mijn auto, een verkeersbord, belsignaal of knipperlicht in het verkeer. Een ringtone, gezoem, getril van mijn smartphone, het zijn wake-up calls. Ze maken, houden me alert.

Een wake-up call, dat is de korte gelijkenis die Jezus vertelt in Lukas 12. Het begint al meteen met een aansporing: Sta klaar! Doe je gordel om! Houd de lampen brandend! Paraat zijn betekent dat je als slaaf je lange kleed hebt opgeschort met een gordel, zodat het kleed niet in de weg zit, je niet struikelt en je letterlijk goed uit de voeten kunt. Wij zouden zeggen: je mouwen opgestroopt en iets van een schort aandoen zodat je meteen aan de slag kunt.

Bij paraat staan hoort naast het omgorden van je kleed ook dat je als slaaf zorgt dat er ’s nachts altijd een lampen brandt. Zonder elektriciteit en zonder lucifers kost het veel tijd om een lamp te ontsteken. En een waakzame slaaf heeft ’s nachts altijd een lamp brandend om wanneer het ook maar nodig is, zelfs in het holst van de nacht zijn meester meteen bij thuiskomst te kunnen bijlichten. Een slaaf met een opgeschort kleed en een brandende lamp laat daarmee zien dat hij stand bye is, zijn meester ieder moment verwacht. Sta klaar, doe je gordel om en houd de lampen brandend. Daarmee lijkt de bedoeling van deze korte gelijkenis wel helder. Wees alert, wees waakzaam, wees bereid. Leef zo dat, als je heer onverwachts komt, je er klaar voor bent. Ik kom straks nog even terug op de vraag hoe je deze aansporing praktisch kunt maken.

Maar, er is meer wat we kunnen leren van deze korte gelijkenis. Het tweede deel bevat enkele verassingen. Het beeld dat hier geschilderd wordt speelt zich af in een groot huis in het Oude Oosten. In de publieke vertrekken vindt een groot banket plaats. Op zeker moment besluit de heer van het huis dit feestmaal te verlaten. Je kunt hier ook vertalen dat de heer ‘opbreekt uit de feestzaal’. Hij pakt kennelijk zijn boeltje bij elkaar nog voor dat het feestmaal ten einde is. Dat is nogal ongepast en zou kunnen worden opgevat als een belediging aan zijn gasten. Vandaar dat het zo geruisloos mogelijk vertrekt. Eenmaal bij zijn privé-vertrekken aangekomen zou hij normaal gesproken zijn slaven roepen. Aankloppen is iets wat een heer van stand niet pas. Aankloppen, dat is iets voor een gast, een vreemdeling, een bediende. Maar nu, op dit precair moment, kan de heer het zich niet veroorloven zijn stem door het huis laten schallen en hij klopt aan.

Als de Heer eenmaal binnen is volgt de tweede verassing. In plaats van zich te laten verzorgen en dienen door zijn slaven keert hij de rollen om. Hij omgordt zijn kleed, nodigt zijn slaven aan tafel en bedient hen. Waar het eten zo snel vandaan komt? De slaven zullen niet op een maaltijd hebben gerekend. Hun heer komt immers net van een feestbanket. En ze zullen verwacht hebben dat hij heeft kunnen eten en drinken in overvloed. Er is eigenlijk maar één mogelijkheid. Deze heer heeft zelf eten mee genomen uit de feestzaal. Hij is er niet vroegtijdig vertrokken omdat hij vermoeid was of verveeld. Hij heeft het feest met opzet eerder verlaten om terug te keren naar zijn slaven en hen te laten delen in de feestvreugde. En daarbij is hij bereid zijn eer te verliezen door niet alleen voortijdig van het feest te verdwijnen maar in zijn eigen huis aan te kloppen als een bediende om vervolgens de rol van een slaaf op zich te nemen, zijn kleed te omgorden en hen te bedienen.

In een oosters huis waren er naast de heer, zijn vrouw en kinderen ook nog de rentmeester, de voormannen, de arbeiders in vaste dienst, de dagloners en helemaal onderaan de pikorde waren er de slaven. En juist bij hen wil de heer zijn. De heer uit deze gelijkenis had ook zelf comfortabel in de feestzaal kunnen blijven zitten en enkele bedienden kunnen opdragen wat van het eten en drinken te brengen naar zijn persoonlijke slaven in het prive-vertrek. Maar deze Heer kiest ervoor zijn eigen feest te verlaten en zelf één van de slaven te worden en met hen een maaltijd te houden. Hét teken van verbondenheid en vriendschap.

Vanuit onze Nederlandse cultuur denken we dan nog: kijk, hij is lekker gewoon gebleven. Goed bezig. Onze koning doet ten slotte ook mee aan vrijwilligersdag. Maar in het Midden-Oosten is dit afleggen van waardigheid ook vandaag de dag nog not-done. Je maakt jezelf belachelijk. Je verspeelt je gezag en dus blijf je binnen je rol. De mond van de slaven zal open zijn gevallen van verbijstering, onwennigheid, protest. Zoals bij de voetwassing.

In ons schuilt vaak iets van een geestelijke zwoeger. Die zich in spant en uitslooft zodat de Heer mij zal zien en zegenen. Een zwoeger die van de liefde van de Heer nooit zeker is want ik schiet ook vaak te kort en is het wel genoeg? Voldoe ik wel aan de verwachtingen? Ergens ben ik dan altijd aan het proberen op te klimmen. Deze gelijkenis herinnert ons eraan dat mijn redding en rust niet ligt in mijn geklim en geklauter. Maar in een heer die af daalt tot daar waar ik ben. Jezus richt zich tot deze zwoeger in mij, in u en zegt: kom nu eerst maar eens bij mij. Ja stop je gehol en gedraaf en gesloof. Laat je door mij bedienen. Want ik ben niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen en mijn leven te geven tot een losprijs voor velen.

Laat dat vanmorgen eens op je inwerken. Dat de Heer heel bewust iets wil doorbreken in de verhouding waarin je tot hem staat. Dat Hij je niet ziet als voetvolk, als een sloofje. Ook niet als iemand die iets zou moeten bewijzen. Een bepaalde prestatie zou moeten neerzetten die dan door de Heer beloond zou moeten worden met bescherming, met zegen, met voorspoed. Maar dat Hij je ziet, en kent en liefheeft en aanklopt op de deur van je bestaan niet om je van alles te verwijten, je de mantel uit te vegen, orders uit te delen maar om je zegenen, te voeden, te bedienen. Als dit bij je binnenkomt hoef je als je nadenkt over het komen van de Heer niet schuw en schichtig over je schouder te kijken. Is de wederkomst van Christus geen reden voor angst en schrik en schaamte

Als Jezus zegt: sta klaar, doe je gordel om en houd de lampen brandend, is het een bemoediging om trouw te zijn in wat de heer aan ons heeft toevertrouwd. Bewust en aandachtig om te gaan met iedere situatie waarin de heer mij dagelijks brengt. Me daarin helemaal te geven, genereus en overvloedig. En tegelijk zonder mezelf er helemaal in te verliezen omdat ik ten diepst weet en geloof: het beslissende is al gebeurd op Golgotha. En het beste komt nog als Jezus komt en alles nieuw maakt. Sta klaar, doe je gordel om en houd de lampen brandend.

Hoe je dit concreet maakt? Hoe je dit praktisch doet? Leven met opgeschorte kleding en brandende lampen? Een slaaf in het Oude Oosten kon natuurlijk niet letterlijk de hele dag en nacht in opperste staat van paraatheid bij de deur staan wachten met een brandende lamp. De boog kan niet altijd gespannen staan. Wie dat probeert loopt alle kans zoveel energie kwijt te raken dat hij juist op het moment suprême in slaap is gesukkeld. In het geheel van Jezus onderwijs ligt juist ook een uitnodiging om niet overbezorgd te leven, niet te leven vanuit angst. Een ongezonde, obsessieve fixatie op de terugkeer van de Heer past niet bij wat Jezus enkele verzen voor deze gelijkenis zegt: Vrees niet, kleine kudde, want jullie vader heeft jullie het Koninkrijk willen schenken.

Het is ook een principe dat we uit ons leven kennen toch? Dat een overfocus niet vruchtbaar is maar blokkeert. Wie loopt te broeden op een idee, op zoek is naar een oplossing, een inzicht, een doorbraak zal vaak de ervaring hebben dat zoiets je juist invalt als je je werk even laat rusten, er afstand van neemt zonder het echt helemaal los te laten. Je bent even met allerlei andere dingen bezig. Je maakt een wandeling, slaapt er een nachtje over. Duikt in een boek of een film. Maar ergens in je achterhoofd, je onderbewuste blijven je voelsprieten uitstaan, blijf je afgestemd op dat ene waar je zo naar uitziet, waar je op wacht. En als het zich dan aandient, herken is het, zie je het en zeg je: dit is het! Hier zocht ik naar! Nu weet ik het!

De trouwe, waakzame slaaf in het huis van de meester doet wat zijn hand vindt om te doen. Draagt zorg voor wat hem is toevertrouwd. Herkent hij in zichzelf veel van Martha, druk met van alles maar blijft er ook ruimte voor de Maria, gericht op het ene. Blijft ergens altijd gespitst zijn op tekenen, signalen, voortekenen die de aantocht van de meester aankondigen. Alsof hij er een zesde zintuig voor heeft. Hij is daar ergens altijd op ingesteld. Zoals een goede ervaren bediende in het restaurant met van alles bezig is maar intussen iedere wenk van een van de gasten aan de tafels oppikt. Zoals onze mannen van de vrijwillige brandweer druk bezig zijn met hun dagelijks werk, groenten of fietsen. Maar als daar dat ene specifieke piepje gaat blijkt dat ze al die tijd ergens erop gerekend hadden en zitten ze in no-time op de fiets naar de kazerne. Dat is de grondhouding die Jezus bedoelt als hij zegt: sta klaar, doe je gordel om en houd de lampen brandend.

Deze gelijkenis wijst ons de weg naar leven in de adventstijd. Een periode om me te oefenen in verwondering over de heer die afdaalt en zich over mij ontfermt. Ik mag de zwoeger in me afleggen. Ontdekken wat bedoeld wordt met de Bijbelse waarheid: Dat de volmaakte liefde de vrees buiten drijft.

Advent is ook een tijd om me te oefenen in concentratie. Om te midden van het vele urgente de focus te houden op het wezenlijke. Om mezelf echt helemaal te geven iedere dag zonder mezelf erin te verliezen. Want mijn hart, dat behoort aan Christus. Die naar ons kwam en omzag en als hij terugkomt, en zijn dag daar is, of als ik geroepen word, mijn dag daar is, zal ik klaar staan, mijn gordel om, de lampen brandend.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie