De hovenier (preek Johannes 20,15b)

(Joh. 20: 1-18, luisterlied: Morning has broken)

Als Rembrandt de ontmoeting van de opgestane Christus met Maria van Magdala schildert, maakt hij een opmerkelijke keuze. Hij legt Christus vast als een potige aardse tuinman met een zwierige tuinmanshoed en een actieve houding, de schep of de schoffel in de aanslag, een kapmes aan zijn gordel, geheel gekleed in het wit als verwijzing naar de opstanding.

Rembrandt heeft zijn bijbel goed gelezen en is geboeid door dat ene vers in Johannes 20,15 “Maria dacht dat het de tuinman was.”  Of, iets deftiger in de NBG-vertaling van 1951: “Zij meende dat het de hovenier was.” Talloze andere kunstenaars hebben door de eeuwen heen de opgestane Christus gezien en afgebeeld als hovenier. En dat is misschien nog niet zo’n vreemde gedachte.

Als je goed naar de plaat van Rembrandt kijkt. Zie je dat Christus hier niet zelf de lichtbron is. Hij wordt net als Maria van links aangelicht door het licht van de opkomende zon, het krachtige licht van de nieuwe morgen. Zo begint Johannes zijn bericht over de opstanding: vroeg, op de eerste dag van de week… Het is een verwijzing naar die andere eerste dag: de eerste dag van de schepping toen alles begon. En hier, nu, is het de eerste dag van de herschepping.

Rembrandt versterkt die link met het scheppingsverhaal door achter Christus en Maria heel prominent een grote stevige boom te schilderen. Zoals in afbeeldingen van Adam en Eva vaak de boom van kennis van goed en kwaad staat afgebeeld, zo staat hier de boom van het leven. De tuin van Arimatea wordt hier een nieuwe tuin van Eden en zoals de eerste Adam hovenier was in de tuin van Eden, zo zorgt nu Christus als de 2e Adam voor Gods tuin. Hij krijgt de centrale positie op dit schilderij.

In de geschiedenis van God en de mensen speelt de tuin een belangrijke rol. Het begint allemaal in de tuin van Eden. De eerste mens Adam wordt er aangesteld als tuinman om de tuin te onderhouden en tot bloei te brengen. Ook God zelf maakt graag een wandeling door deze tuin. Adam is als tuinman geen groot succes. Hij struikelt, valt diep en verlaat noodgedwongen de tuin van Eden en wat ooit een prachtig paradijs was, vervalt tot een woeste en onherbergzame wildernis. Het zijn sprekende metaforen die aanduiden wat er gebeurd is met Gods goede schepping, met ons menselijk bestaan.

Maar in Gods hart leeft het verlangen door om zijn schepping alsnog tot bloei te brengen. Als profeten woorden geven aan Gods verlangen kiezen ze nogal eens voor de taal en beelden van de tuinman. Jesaja zegt in hfst 61: Zoals de aarde haar gewassen voortbrengt, zoals een tuin het gezaaide laat ontkiemen, zo laat de Heer gerechtigheid ontkiemen en glorie voor het oog van alle volken. En in hfst 55: Vol vreugde zullen jullie uittrekken en in vrede zul je huiswaarts keren. Bergen en heuvels zullen je juichend begroeten en alle bomen zullen in de handen klappen. Doornstruiken maken plaats voor cipressen, distels voor mirtestruiken. Van Hosea is het woord: Ik zal voor Israël zijn als de dauw, het zal bloeien als een lelie. En als Jezus zijn leerlingen uitlegt wie God is vergelijkt ook hij God met een tuinman die plant en snoeit en uitziet naar veel vrucht. God heeft kennelijk een groen hart.

In Jezus weg van lijden, sterven en opstaan komen we verschillende keren een tuin tegen. De eerste keer is dat de tuin van Getsemane. Daar begint Christus als de nieuwe mens met het herstelwerk van wat de 1e mens uit zijn handen heeft laten vallen. In de tuin van Eden hielp de eerste mens alles naar de vernieling, in de tuin van Getsemane begint Christus, de nieuwe mens met zijn weg van verzoening, verlossing en vernieuwing en als Christus enkele dagen later dat herstelwerk voltooit, vindt dat opnieuw plaats in een tuin: de tuin van Arimatea, de 1e mens is gevallen in een tuin, de nieuwe mens staat weer op in een tuin

Maria van Magdala meent dat Christus de hovenier was. En hij ís de hovenier, maar dan niet hovenier in de tuin van Arimatea. Maar hovenier in de tuin van ons bestaan. Christus is de hovenier van ons hart. Misschien kunt u dat beeld voor u zelf eens meenemen? Als Christus de hovenier is van uw hart, uw leven, hoe ziet dan de tuin van uw leven er uit voor hem? Wat voor werk heeft de hovenier in uw leven te doen? Is de bodem vruchtbaar? Komt er voldoende licht binnen? Is er ruimte voor groei? Wat dreigt er te worden verstikt? Wat doet het goed in uw tuin? Wat zou Hij er willen planten? Wat zou moeten worden gekapt, gesnoeid en opgeruimd? Is de tuin van je leven op orde of is er vooral wildgroei? Proef je er aandacht, zorg en onderhoud? Of eerder verwaarlozing, slordigheid, gebrek aan aandacht?

Christus is de hovenier van ons hart. De schop in zijn hand en het kapmes aan zijn gordel verwijzen naar het zware vuile werk dat hij wil opknappen om ons leven opnieuw tot bloei te brengen. Hij graaft en spit, schoffelt en snoeit, wiedt onkruid, bemest en besproeit. Hij maakt vuile handen in de grondlagen, de bodem van ons bestaan. Aan onze doorns en stekels kan hij zich lelijk bezeren, tot bloedens toe. Maar hij verstaat zijn vak en met vaste hand schept hij orde in een verwilderde bende en weet daar steeds meer iets van te maken dat weer begint te lijken op een tuin.

Een goede hovenier is in staat om iedere tuin te lezen. Hij ziet heel precies in welke omstandigheden deze specifieke tuin verkeert. Wat in deze ene tuin nodig is. Wat er teveel is en ook wat er aan mankeert. Een goede hovenier ziet de tuin als een ecosysteem waarin alles met alles samenhangt en hij weet precies de juiste omstandigheden te scheppen om iedere boom, iedere plant, iedere bloem tot zijn recht te laten komen. En de tuin zo aan te leggen en te onderhouden. Dat wat er groeit elkaar niet verdringt of verstikt. Dat er iets van harmonie, samenhang en balans komt en dat wat er groeit elkaar kan bevruchten en beschermen.

Hij weet wanneer het tijd is om in te grijpen. Iets weg te nemen, op te ruimen, te snoeien. Hij weet waar wat extra steun nodig is maar ziet ook wanneer die begeleiding juist in de weg zit en verdere groei belemmert. Hij weet wanneer hij de dingen op zijn beloop moet laten, blad te laten afvallen, delen te laten afsterven en verdwijnen. Dat droge periodes soms helpen om wortels dieper te laten groeien. De hovenier kent de seizoenen, het ritme van de natuur en weet wat een tuin in ieder seizoen nodig heeft.

In de hof van Arimatea zien we dat gebeuren. En Rembrandt weet dat mooi te treffen in de lichaamshoudingen van Maria en de hovenier. Maria ziet er nogal angstig uit, je leest de schrik, de achterdocht, het wantrouwen af uit haar lichaamstaal. Ze is daar in de tuin van Arimatea buiten zichzelf. Op paasmorgen tolt ze rond in haar verdriet. Rusteloos en verdwaasd rent ze rond van huis naar de graftuin, van het graf naar Petrus en dan naar die andere leerling, weer terug naar de graftuin, het graf in, het graf uit, op de tuinman af, van de tuinman weg… Zonder haar Heer is Maria nergens. Is ze haar hoofd, haar hart kwijt. En weet ze echt niet waar ze het zoeken moet.

En dan is daar Christus de hovenier. Hij kijkt haar rustig en aandachtig aan. Hij leest haar hart en ziet wat zij nodig heeft. Hij noemt haar bij haar naam: Maria. Dat is wat ze nu nodig heeft. Even de stem te horen van haar Heer. Te weten dat Hij haar ziet, en haar persoonlijk kent. Dat ene moment, dat is voor haar genoeg.

Het is een bijzonder vers, dat 16e vers. Jezus zei tegen haar: Maria. Ze draaide zich om en zei: Rabboeni, meester. De dichter-dominee Willem Barnard vertelde eens dat hij dit ene bijbelvers nooit heeft kunnen lezen zonder ontroerd te raken. “Het is me nooit gelukt dat 16e vers te lezen met vaste ongebroken stem. Hier houdt alles op, hier begint alles.”

Miskotte, theoloog uit de vorige eeuw zegt: “Heel het christendom komt tenslotte hierop neer, dat er een stem tot ons komt die ons aangrijpt in ons allerdiepste wezen door tot ons te zeggen: Maria. Die door onze eigen naam te noemen onze meest verborgen eenzaamheid treft met een  onbegrijpelijke goddelijke toegenegenheid. En dat we daarop eerlijk en zonder reserve antwoorden: Rabbouni – mijn meester!”

Jezus zei tegen haar: Maria. Meer is voor nu niet nodig. Meer hoeft nu niet. Ook dat geeft de hovenier aan: Houd me niet vast.. Zoek de anderen weer op, deel wat je hebt beleefd. Verbindt je opnieuw met hen. Ook dat heb je nodig. En zij ook. Zoek de anderen op en vertel hen wat je hebt gezien. Dat is de stijl van de hovenier. Niet alles komt tegelijk en in een keer. Het gaat per dag en vaak in vele kleine momenten. Een ontmoeting, een bemoediging, een aansporing.

De Antwerpse theoloog/predikant Dick Wursten schreef, geïnspireerd door een gedicht van Michel van der Plas en dit werk van Rembrandt de volgende monoloog bij deze ontmoeting in de hof van Arimatea.

Toen al de anderen waren heengegaan,

de vrouwen, die eerst bij mij waren.

de mannen die later zijn gekomen

– ik zag ze nog redetwisten en gebaren

Petrus… en Johannes  – ,

werd het stil, stiller dan ooit in de hof.

 

En ik besefte opeens, dat ik alleen was,

alleen … met mijzelf.

 

Ik wist mijn leven weer weerloos open

voor de demonen van weleer

Zeven had hij eruit gedreven

zeven maal zeventig keerden ze weer..

 

Pas toen hij stierf werd ik mij bewust

hoezeer hij mijn zekerheid was, mijn rust

 

Ik kan niet weg…

Nog liever bij hem in de dood

dan zonder hem in dit leven

aan mijzelf prijsgegeven..

 

Zo stond ik bij het graf,

ik kon niet weg….

geboeid door Hem,

gebonden aan zijn dood…

 

Zelfs de hof,

een spooktuin leek het,

vals

zoals ze uitbrak in nieuw leven.

 

ik keerde mij om,

veegde met een mouw mijn tranen weg

toen ik de tuinman zag.

 

Hij stond er, gerust en groot

en toen hij naar mij keek

was het alsof ik niet meer alleen

en het graf achter mijn rug

niet meer zo hol en leeg was ..

 

“Maria”

zei hij…

 

Ja ik weet het,

ik heb het al zo vaak verteld

maar steeds moet ik het herhalen

wel duizend malen…

hoe – toen hij mij noemde

bij mijn naam –

niet hij, maar ik ben opgestaan,

 

verrezen, herboren

 

Ik vloog hem om de hals

kuste hem vol vreugde

en wilde hem nimmer

nooit meer, never

laten gaan..

“Rabboeni…”

mijn meester…

 

En het was alsof de bloemen

pas bloemen werden

en de bomen groen.

toen,

toen hij mij aankeek

mij riep bij mijn naam

en mij op weg stuurde

het leven in…

 

Morning has broken, like the first morning.

Blackbird has spoken, like the first day..

 

Die morgen was mijn Genesis

De graftuin was mijn hof van Eden

Daar wandelde ik met mijn Heer

Daar riep God mij bij mijn naam.

 

Daar ben ik begonnen

voorzichtig begonnen

nu eindelijk ook zelf te bestaan…

 

Werkelijk ik heb mij niet vergist…

Hij ís de hovenier.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie