Zingen in de nacht (Handelingen 16,25)

(Handelingen 16,25)

Het speelt zich af op de christelijke basisschool van Nijverdal. Het is februari 1953. De kinderen van groep 6 hebben tien dagen hun eigen meester Wim niet gehad. Meester Wim ter Horst, de latere hoogleraar pedagogiek is op herhaling bij defensie: verplichte bijscholing voor dienstplichtige militairen. Precies in die dagen vindt de watersnood plaats. Tot grote ontzetting van het hele land breken de dijken. Grote delen van ons land worden overspoeld en meer dan 1800 mensen sterven de verdrinkingsdood. Meester Wim wordt met zijn peloton ingezet in Zierikzee. Wat hij daar meemaakt is met geen pen te beschrijven. In de dagen en weken na de ramp komen verschrikkelijke verhalen los en afschuwelijke beelden van wat zich heeft afgespeeld.

Meester Wim is enkele dagen na de ramp terug in Nijverdal. Moe, compleet leeg, verslagen en zonder hoop. Op een morgen staat hij weer voor de eerste keer voor zijn eigen klas: groep 6. Zijn leerlingen weten waar hij is geweest en kijken hem met grote ogen aan. Ze zijn gewend de dag te beginnen door samen te zingen. Vandaag zegt de meester: zingen doen we vandaag maar niet, ik zou ook niet weten wat. Dan steekt Joke haar vinger op. Een rustig, onopvallend meisje van tien jaar. Heel helder en vriendelijk zegt ze: Meester, we zouden natuurlijk kunnen zingen: als g’in nood gezeten, geen uitkomst ziet…. Het raakt Meester Wim diep in zijn ziel. Hij verbijt zijn tranen, en loopt bevend naar het raam. Doet alsof hij naar buiten kijkt maar ziet niets. Even later zingt groep zes het lied dat Joke voorstelt. Meester Wim zingt mee, al is het door zijn tranen heen en met een flinke brok in zijn keel:

Als g’ in nood gezeten, geen uitkomst ziet,

wil dan nooit vergeten, God verlaat u niet.

Vrees toch geen nood, ’s Heren trouw is groot,

en op ’t nacht’lijk duister, volgt het morgenrood.

Schoon stormen woeden, ducht toch geen kwaad;

God zal u behoeden, uw toeverlaat.

Ergens snap je die meester Wim wel als hij zegt: zingen doen we vandaag maar niet, jongens, ik zou ook niet weten wat…. Want ja, zingen, dat doe je toch vooral als je blij bent. Als de zon schijnt, je de wind mee hebt. En je lekker in je vel zit. Ja dan begint je als vanzelf te neuriën, te fluiten, te zingen. Maar zingen met tranen in je ogen en een brok in je keel? Zingen tegen de klippen op, zingen zelfs in de nacht? Dat heeft iets wonderlijks. Hoe komen mensen daartoe? Wat is daar het geheim van? We komen het in onze tekst tegen bij Paulus en Silas. Ze hebben een geweldig pak slaag gekregen hun rug, hun achterwerk, hun bovenbenen  alles is kapot geslagen. Kneuzingen, bloeduitstortingen, blauwe plekken, open wonden. Paulus en Silas zijn gevaarlijk gewond. En terwijl ze er zo slecht aan toe zijn worden ze in een cel gegooid, in het donker, vastgeketend in een blok. Grote kans op wondkoorts, zonder te weten of ze de morgen halen, zonder te weten of ze hier ooit uitkomen. Lijkt me typisch een meester-Wim-momentje: zingen doen we vandaag maar niet jongens, ik zou ook niet weten wat.

En toch lezen we: om middernacht waren Paulus en Silas aan het bidden en zongen ze lofliederen voor God. Om middernacht. Niet eerder. Misschien hadden ze de uren ervoor nodig gehad om te verwerken wat ze achter de kiezen hadden. Misschien waren ze om 8 uur nog totaal aangeslagen. En zaten ze om halftien nog te mopperen. Elkaar om 11 uur verwijten te maken dat die ander het allemaal ook niet zo handig had aangepakt. Het is niet meteen en zomaar middernacht. Martin Brand zingt ergens: Het gewicht van 1000 vragen. Het verdriet dat mij verscheurt. Ik kan het haast niet dragen. Ik probeer wel te bidden. Maar ik weet niet wat ik zeggen moet. Als mijn hart zo bloed. Ik zou wel willen zingen Heer ook nu het donker is. Zo is het misschien ook gegaan daar bij Paulus en Silas. De avond begon met gebed en eindigde om middernacht met een loflied.

Je komt het vaak tegen in de psalmen. Dat een gebed uit de diepte ineens omslaat en uitloopt op aanbidding en lofzegging. Zomaar, onverklaarbaar, uit het niets. Het is misschien juister om te zeggen dat zo’n loflied geboren wordt, als een wondertje. Het wordt in je hart gelegd en op je lippen. In Job 35,10 krijgt God een mooie naam: God mijn maker die psalmen geeft in de nacht. Zoiets proef je ook in psalm 42 waar we lezen: ’s nachts zal zijn lied bij mij zijn, een gebed tot de God van mijn leven. Een lied dat, hoe donker de nacht is, wonderlijk bij je is. Werk van de Geest die in ons zucht en in ons zingt.

Het menselijk bestaan kan op allerlei manieren aanvoelen als een gevangenis. Waarin je wordt geleefd, vastgehouden, klemgezet en je vooral niet vrij bent om tot je bestemming te komen. En zingend bidden, de lofzang op Gods grote naam kan die gevangenis openbreken en ons in een nieuwe ruimte zetten. Ketenen verbreken, boeien laten springen. Deuren openen, drempels wegnemen. Psalm 50,23 zegt dat heel krachtig: wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer, wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.

In Handelingen 16 gebeurt dat op indrukwekkende wijze. Een aardbeving, vrijlating voor gevangenen en geestelijke bevrijding voor de gevangenisbewaarder en voor al zijn huisgenoten. Er zit in de lofzang op God een wonderlijk geheim. Psalm 22,4 zegt dat God troont op de lofzangen van Israël. Wie God lof zingt met het hart, zingt niet zomaar liedjes. Wanneer je God aanbidt, treed je een andere nieuwe werkelijkheid binnen. Aanbidding van God brengt je in zijn troonzaal. Je stemt in met een reusachtig engelenkoor van tienduizenden machtige wezens.

Je bent verbonden met de heiligen die ons zijn voorgegaan. Je proeft al zingend iets van de gemeenschap van de heiligen. Voor Zijn troon en hierbeneden. En al zingend stap je die werkelijkheid binnen. En je bent niet langer alleen. Je kunt dan de ervaring hebben dat je al zingend wordt opgenomen in iets dat groter is dan jezelf. Alsof jouw loflied versmelt met een lied dat al gezongen wordt door alle tijden heen, ook al ver voor je geboorte. En zal blijven klinken tot aan de jongste dag. Er kan licht vallen in je duisternis en dat waar je op dat moment in gevangen zit kan zomaar openbreken.

Dat is wat er gebeurt bij Paulus en Silas. Fysiek zitten ze vastgeketend in een donkere cel. En er is op dat moment nog geen enkel zicht op bevrijding. Alles lijkt vast te zitten, muurvast en op slot. Maar de aanbidding van God voert hun ziel op vleugels mee met de machtige engelen en heiligen tot in Gods troonzaal. Hoor een heilig koor van stemmen, staande aan de glazen zee…. Zingen helpt om je met je hele wezen op God te richten en zo zing je je van je zorgen vrij.

Er zit in lofzang en aanbidding een wonderlijk geheim. In Handelingen lijkt de intensiteit van de lofzang en de kracht, de vrede en de vreugde ervan toe te nemen naarmate de verdrukking toeneemt, erger wordt, heviger. In Handelingen 5 lezen we zelfs dat de apostelen worden opgepakt en gegeseld en daarna ook vrijgelaten en dan verlaten ze met een brede glimlach de gevangenis. Verheugd omdat ze waardig bevonden waren deze vernedering te ondergaan omwille van de naam van Jezus. Paulus zegt dat expliciet in Fillippenzen 3: ik wil delen in zijn lijden, aan hem gelijk worden in zijn dood om zo ook de kracht van zijn opstanding te kennen.

Ja het diepste geheim van zingen in de nacht is Christus zelf. Hij heeft ook gezongen in de nacht. In de meest donkere nacht van zijn leven viert Jezus het laatste avondmaal met zijn vrienden en dan lezen we in Markus 14: en nadat ze de lofzang gezongen hadden, vertrokken ze naar de Olijfberg. Wetend welke weg van spot en vernedering van geseling en kruisiging daar op hem ligt te wachten zegt Jezus niet: jongens, zingen doen we vandaag maar niet, ik zou ook niet weten wat…. Nee, straks in Getsemane zal hij door het stof kruipen als een worm en druppels bloed zweten van doodsangst. Maar juist te midden van die dreigende duisternis zet Jezus met overtuiging zijn loflied in. En zal hij daarna met bekrachtigd en vernieuwd de kruisweg aflopen tot het einde toe. En nadat ze de lofzang gezongen hadden, vertrokken ze naar de Olijfberg.

In het boek ‘Het dwaze van God’ van Open Doors staat het verhaal van een Russische christen: Dimitri. Het speelt in de tijd van de koude oorlog, het ijzeren gordijn. Dimitri leert Jezus kennen en houdt zoveel van Jezus dat hij zijn mond niet over hem kan houden. De Russische geheime dienst pakt hem op en hij verdwijnt achter de tralies ergens in een uithoek van het land op 1000 kilometer van zijn gezin. Hij heeft geen idee hoe het gaat met zijn vrouw en kinderen. Hij weet niet hoe zijn toekomst eruit zal zien. En zit daar dag in dag uit achter de tralies samen met 1500 andere gevangenen.

En iedere morgen, als de zon opgaat gaat Dimitri naast zijn bed staan. Met zijn gezicht naar het oosten en zingt hij een loflied voor zijn God. Iedere morgen opnieuw, zeventien jaar lang Klinkt daar in de gevangenis datzelfde lied voor God. De andere gevangenen lachen hem uit. Ze schelden hem kapot, bekogelen hem met vuil uit hun cellen. Maar iedere morgen staat Dimitri op en zingt hij ondanks alles zijn loflied.

Na zeventien lange jaren gebeurt het. Dimitri zal worden geëxecuteerd. Hij wordt uit zijn cel gehaald en onder begeleiding door de gangen gevoerd naar de binnenplaats. Daar zal hij worden doorgeschoten. En terwijl Dimitri daar in stilte door de gangen en langs de cellen gaat krijgen de gevangenen door wat er staat te gebeuren. En plotseling begint één van hen te zingen. Iemand anders stemt in en korte tijd later klinkt een machtig gezang uit 1500 monden. Die morgen staan daar in die Russische gevangenis 1500 gedetineerden naast hun bed met hun gezicht naar het oosten. En samen zingen ze als één groot mannenkoor het loflied voor God waar Dimitri zeventien jaar lang zijn dag mee was begonnen. En net als in Handelingen 16 blijken de gevangenen aandachtig naar zijn gezang te hebben geluisterd en het lied in zich te hebben opgenomen. De cipiers weten niet wat ze meemaken. Ze zijn zo onder de indruk van dit machtige gezang dat ze besluiten om hem terug te brengen naar zijn cel. En enkele dagen later is Dimitri een vrij man.

Jezus zong in zijn zwartste nacht een lied voor God. Met als Paulus en Silas daar in Flilippi,  Dimitri in zijn Russische cel en de kinderen van groep 6 van de christelijke basisschool in Nijverdal. En altijd weer hebben mensen het ervaren. God woont op de lofzangen van zijn kinderen. Waar Hij lof, dank en aanbidding ontvangt verruilt hij onze angst voor nieuwe hoop, legt hij in onze ontrust zijn vrede, toont hij in onze zwakte zijn kracht en te midden van wat ons gevangen houdt. Zet hij ons in de vrijheid. De vrijheid van de kinderen van God.

Laten we dit geheim ons eigen maken. En blijven zingen al is het soms door de tranen heen. En daarin ook onze kinderen inwijden en meenemen. Zodat zij van jong af de kracht leren van aanbidding. En hun leven lang leven met God hun maker, die psalmen geeft in de nacht.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

2 Comments

  • Reply Elly 26 juni 2017 at 19:33

    Wat een mooie preek over het belang van aanbidding, ik denk dat aanbidding het hart van ons leven is en dat we leven een leven van aanbidding voor onze Heer, hier wordt geleerd geloof nou echt doorleefd geloof, om hem zo te prijzen, geweldig. Daar heb jij woorden aangegeven, fijn om het zo vanaf de zijlijn mee te lezen en mee te leven.

    • Reply Frits Hartmann 29 april 2019 at 17:45

      een inspirerende overdenking waarvan ik delen met dankbaarheid heb gebruikt voor een overweging op 5 mei .
      Ik hoop nog veel van je te horen/lezen! Gods zegen op je werk.

    Plaats een reactie