What a wonderful world! (psalm 104)

(Psalm 104; luisterlied: For the beauty of the earth, John Rutter)

Een groep Europeanen maakt een reis door het Midden-Oosten. Op een morgen komt een van de toeristen naar buiten, net op het moment dat de Arabische gids opstaat van zijn morgengebed. Waarom denkt u eigenlijk dat er een  God is, vraagt de westerling? Er klink een flinke dosis spot in zijn vraag door. De gids kijkt de man even aan en zegt dan: als ik ’s morgens opsta, hoe weet ik dan of er ’s nachts een kameel langs mijn tent is gelopen? Ik zie zijn hoefafdrukken, zijn sporen in het zand. Toch? Kijk eens naar al die kleuren in de lucht, nu de zon aan het opkomen is. Dat is geen voetspoor van een dier of van een mens. Dat zijn de voetsporen van God. Hij is zelf hier voorbij gekomen..

Op deze manier kijkt de Bijbel ook naar de wereld waarin we leven. Ze wordt heel bewust ‘schepping genoemd’. En daarmee vertelt ze iets over de Schepper. Zoals een kunstwerk iets zegt over de kunstenaar, zo is deze wonderlijke wereld, deze wonderful world vol van sporen, vol van vingerafdrukken van een even wonderlijke God, a wonderful God. Daarbij kun je natuurlijk denken aan het grootse en spectaculaire. Aan het feit dat deze Schepper God een gigantisch, complex en eindeloos gevarieerd universum ontwerpt, vormgeeft, overziet. Maar je vindt Gods vingerafdrukken ook in hele kleine en ogenschijnlijk gewone dingen die bij nader inzien heel wonderlijk blijken te zijn.

Neem nu een simpele korrel zout. Die bestaat uit twee stoffen: sodium en chloride. Los van elkaar zijn die stoffen allebei giftig, als je ze binnen krijgt sterf je eraan. Maar samen vormen ze zout. Zout dat een mens nodig heeft en dat het eten op smaak brengt. Of denk aan een druppel water. Die bestaat uit twee delen waterstof en een deel zuurstof. Waterstof is brandbaar, zuurstof is ook heel brandbaar. Maar combineer waterstof en zuurstof en je hebt water. Water waarmee je juist vuur kunt uitblussen.

Je kunt ook denken aan een miniscuul kleine bacterie die je met het menselijk oog niet eens kunt waarnemen. Zo’n kleine bacterie zorgt ervoor dat de wortels van planten uit de grond voedingsstoffen kunnen opnemen zodat de plant kan leven en groeien en vrucht dragen. En het zijn ook die kleine bacteriën die ervoor zorgen dat wat je eet wordt verteerd in je darmen. Je denkt dat je als mens heel wat voorstelt. Een soort onderkoning van de schepping bent. Maar je bent als mens dus helemaal afhankelijk van een stelletje bacteriën. Nou ja, stelletje. Je draagt er ongeveer 100 miljard bij je.

Ik gebruikte het woord ‘afhankelijk’. En dat woord brengt ons bij een aspect dat we misschien wel het grootste wonder van de schepping mogen noemen. Dat alles met alles samenhangt. Dat er in de schepping een samenhangend verband, een orde is. Waardoor alles elkaar beïnvloedt en van elkaar afhankelijk is. Het is een ingenieus geheel van kringlopen, ketens en systemen. Er zit in de schepping een prachtige samenhang en harmonie die iets weerspiegelt van de Schepper die haar heeft gemaakt. Daar licht iets in op van de passie die er is in Gods hart voor samenhang, voor samenwerking, voor harmonie, voor verbindingen, voor organisch denken.

Dat God juist aandacht heeft en oog voor het geheel klinkt al door in het scheppingsverhaal. Bij ieder afzonderlijk iets wat God schept lezen we steeds en God zag dat het goed was. Als God de mens schept, zegt hij niet dat die mens op zichzelf , los van haar omgeving goed is. Na de schepping van de mens bekijkt God het geheel de schepping in haar onderlinge verbanden en samenhang met de mens die nadrukkelijk is bedoeld als een onderdeel van dit samenhangend geheel. En dat zegt God van dat complete plaatje: en zie, het was zéér goed.

Die verwondering over de samenhang in Gods schepping klinkt ook door in psalm 104. Het regent op de bergen, de beekjes brengen het water naar het dal en daar kunnen de mensen graan verbouwen op de vruchtbare grond. Als aan het einde van de nacht de roofdieren hun rustplaats op zoeken begint de dag waarop de mens tevoorschijn kan komen en kan beginnen aan het werk waartoe hij is geroepen. God plant machtige ceders op de Libanon waar de ooievaars de ideale omstandigheden vinden om hun nest te bouwen.

Die samenhang tussen alles wat leeft heeft ook alles te maken met de Geest van God die deze schepping bezielt en beademt. Dat is een wonderlijke gedachte. Dat iedere keer als ik adem haal het eigenlijk God is die mij beademt. Een lied in ons liedboek zegt het net nog iets anders: is de hartslag van ons leven niet de liefde van de Heer. En je ziet de schepping even voor je als één groot lichaam, één machtig organisme. Dat voortdurend door Gods Geest wordt beademd. En door de schepping in alles wat leeft en ademt is er dat éne pulserende hart dat klopt op het ritme van Gods liefde.

Een sterker bewustzijn van de samenhang in Gods schepping kweekt een houding van afhankelijkheid. Wij mensen zien onszelf liever als autonoom, vrij, zelfstandig. Maar als we als gevolg van de opwarming van de aarde ineens een onbekend, agressief mugje tegenkomen dat wellicht allerlei enge ziektes kan verspreiden realiseren we ons weer hoezeer we als mensen deel zijn van deze schepping, er van afhangen. En dat we die onderlinge samenhang niet ongestraft met voeten kunnen treden.

Toch is psalm 104 niet alleen maar positief over de schepping. Er is in Gods mooie schepping ook van alles wat niet pluis is. De psalmist heeft het over leeuwen die er rondlopen. Zij zijn gevaarlijk in hun zoektocht naar een prooi. Als God zijn hand niet opent is er zomaar hongersnood. Er is de dood waardoor alles wat leeft terugkeert tot stof. De planeet aarde kent aardbevingen en vulkaanuitbarstingen. Er is de gevreesde Leviathan, die in de bijbel staat voor de machten en krachten die op deze schepping een verwoestende werking kunnen hebben. En dan is er de nog de mens. Die in deze psalm om twee plekken voorkomt.

Het is opvallend dat als het gaat over de plaats van de mens psalm 104 een ander accent legt bijvoorbeeld psalm 8. Daar wordt de mens gezien als een soort schepper naast God. Als een bijna goddelijke onderkoning. Psalm 104 ziet de mens nadrukkelijk als ingebed in het geheel van de schepping. De mens is opgenomen in het gezegende ritme van dag en nacht en dus helemaal deel van de ecologische kringloop. Pas als de nacht voorbij is en de roofdieren gaan rusten ontstaat er ruimte voor de mens om binnen het geheel zijn plekje in te nemen, zijn opdracht te vervullen.

En als aan het einde van de psalm het nog eens over de mens gaat wordt hij ‘de zondaar’ genoemd. Dat is de mens die denkt dat alles om hem draait. De mens die zijn plaats niet kent en denkt dat hijzelf de maat is aller dingen. De mens die geen boodschap heeft aan welke scheppingsorde, welk ecosysteem, welke balans, welke samenhang dan ook. De mens die in de schepping kan huishouden als een olifant in een porseleinkast.

 

Zondaars zijn mensen die niet zoveel hebben met zo’n psalm als deze. Hoe zo ‘bomen van de Heer’. Ik wil goedkope hardhouten tuinmeubels, dus haal maar neer die woudreus. De hoge bergen voor de steenbokken? Dat zal best, maar ik wil wel lekker en goedkoop skieën. En de schade aan de natuur die daardoor ontstaat, dat is niet mijn pakkie an. De zee, waar het wemelt van dieren zonder tal. Prima, maar ik wil gewoon goedkoop een lekker visje eten en dat zo de zeeën steeds leger worden, tja….. En voor deze mens die los van alles en voor zichzelf leeft is er in Gods goede schepping geen ruimte, geen toekomst

Voorlopig stampen de zondaars nog door Gods goede schepping. God gunt deze mens tijd om tot inkeer te komen. En hij is zelfs bereid om daarvoor te lijden. Te lijden in Jezus Christus die mens werd in deze geschonden en gebroken wereld. De mensen maakten van een boom van de Heer een kruis voor de Heer en spijkerden hem daarop vast. En in diezelfde geschonden wereld zendt God zijn Geest die met de schepping zucht en benauwd is en gebukt gaat onder de uitputting, uitbuiting en misbruik door mensenhanden. En in Romeinen 8 zien we dat die Geest met de schepping reikhalzend uitziet naar Gods nieuwe wereld die komt.

Te lang hebben we in de kerk gedacht dat het in het christelijk geloof vooral draait om geloof in de Here Jezus tot vergeving van mijn zonden. En dat zorg voor de schepping iets is voor idealisten en activisten en dat dat allemaal toch geen steek helpt. Vandaag leren we van deze mooie psalm dat God ons als zijn kinderen roept om te zien hoe Hij alles in samenhang heeft geschapen. Daarvan mogen we volop genieten en daarbinnen mogen we onze plek in nemen. Bescheiden, dienend, zorgzaam, verantwoordelijk. En zo heeft geloof ook alles te maken met mijn uitgavepatroon, mijn eetpatroon, mijn keuze voor een lichte en duurzame manier van leven die niet ten koste gaat van wat God geschapen heeft.

Ook Jezus roept ons op in de bergrede om als mensje vooral te luisteren naar de vogels en ook nadrukkelijk te kijken naar de bloemen. Naar deze wonderful world omdat ze vol is van een wonderful God. Juist zo, kijkend naar vogels en bloemen leer je als mensje je plaats kennen. Leer je dat je afhankelijk bent van de hemelse Vader en dat je uit zijn hand mag leven van zijn genade. Het hart van de Vader gaat uit naar het geheel. Zijn hart klopt van liefde voor alles wat leeft. Voor rivieren en meren, voor bossen en wouden. Voor vogels en vissen, en je, ook voor de mens. Voor dat alles gaf hij zijn zoon. In dat alles zendt Hij zijn Geest.

De psalm eindigt met de toon van lofprijzing: voor de Heer wil ik zingen zolang ik leef. Een lied voor mijn God zolang als ik besta. Prijs de Heer mijn ziel! Halleluja. Gelukkig denk je, toch nog een happy end. Ja zeker! Maar je loflied klinkt alleen als muziek in de oren van God als je zo leeft dat ook de vogels van de hemel hun loflied voor de Schepper zullen kunnen blijven zingen. Als je zo leeft dat alles wat adem heeft kan leven, kan bloeien en zo de Heer kan loven. De wereld waarin wij mogen leven is van God. En ze is er ook voor God. Ze is geschapen voor zijn vreugde. Laat de Heer zich verheugen in zijn werken. En dat gebeurt waar alles wat God geschapen heeft helemaal tot zijn recht komt en kan opbloeien.

In Jeremia 29 geeft God een belangrijke opdracht aan Joodse ballingen die in Babel wonen. Hij zegt: bouw huizen en ga daarin wonen. Leg tuinen aan en eet van de opbrengst. Bid tot de Heer voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb. En dan zegt hij iets heel moois: en zet je in voor haar bloei. Want de bloei van de stad is ook jullie bloei. En dat laatste is ook breder toepasbaar. Laten we ons inzetten voor de schepping op de plaats waar we door God zijn gesteld. Want de bloei van de schepping is ook onze bloei. We zijn met elkaar verbonden in Gods wonderful world.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie