Pootjebaden of zwemmen (Efeziërs 3,14-21)

(Ezechiël 47: 1-12, Efeziërs 3: 14-21)

 ‘Als het om geloof gaat ben ik altijd wat aan het pootjebaden.’ Die uitspraak kwam ik pas ergens tegen in een interview. ‘Als het om geloof gaat ben ik altijd wat aan het pootjebaden.’ Bij de uitdrukking pootjebaden denk je aan het strand. Je doet je schoenen uit, je rolt je broekspijpen wat op en dan stap je voorzichtig het water van de zee in. Je wilt graag even het water in, maar tot zekere hoogte. Mocht er een flinke golf jouw kant opkomen. Dan zorg je dat je snel wat passen terug doet zodat je niet té nat wordt. Je wilt immers alleen wat pootjebaden.

En zoiets kun je kennelijk ook doen met geloof. Dat je er wel iets mee hebt, iets mee houdt. Maar altijd tot op zekere hoogte. Je verlangt ernaar om erdoor geraakt worden maar je wilt ergens ook de controle houden. Je zet steeds voorzichtige stapjes in die richting. Maar als het te dichtbij komt voor je maak je ook zomaar weer een terugtrekkende beweging. Je vindt het lastig om je er echt verder in te begeven. Iets houdt je tegen om je er meer aan over te geven. ‘Als het om geloof gaat ben ik altijd wat aan het pootjebaden.’

Dat pootjebaden komen we ook tegen in Ezechiël 47. Ezechiël staat in zijn visioen bij de muur van de tempel en ziet dat er water uit de tempel naar buiten stroomt. Het water staat voor de goedheid, de genade van God die niet kan worden opgesloten in een tempel of kerk. Gods goedheid en genade zoekt zich een weg naar buiten. Gods hart strekt zich uit naar de hele schepping, alle mensen.

En dan is daar een man naast Ezechiël die voorstelt om die genade van God eens te gaan volgen en meten. Hij heeft het meetlint al in de hand en samen volgen deze mannen de stroom van genade. De man lijkt zijn taak behoorlijk precies op te pakken. Vanaf de stadsmuur meet hij steeds een afstand van 500 mtr. En bij iedere 500 meter vraagt hij Ezechiël om een soort van dieptepeiling te doen door zelf in het water te stappen. En bij de eerste peiling komt Ezechiël weg met pootjebaden. Het water komt daar niet hoger dan zijn enkels. Maar bij de volgende peilingen stijgt het water tot kniehoogte en later tot heuphoogte en dan is daar dat vierde en laatste checkpoint en je ziet het voor je ogen gebeuren. Ezechiël die zijn kleding zo hoog mogelijk optrekt en steeds verder het water in loopt. Tot hij ineens geen grond meer onder zijn voeten voelt. Hij gaat kopje onder en komt proestend weer boven en daar zwemt hij in de stroom van Gods genade. Genade die hem omspoelt en omgeeft. Wij zeggen weleens: hij of zij zwemt in zijn geld. Hier zwemt iemand in Gods genade.

En de man op de oever rolt lachend zijn meetlint op. Hier is geen meten meer aan. Gods genade is onmeetbaar, onpeilbaar. Even later staat Ezechiël kletsnat weer op de oever. Geen droog draadje meer aan zijn lijf. Kijk zegt de man, deze waterstroom, deze rivier is vol van levend water. En overal waar de rivier stroomt komt leven. Zelfs de zoute dode zee zal wemelen van leven en langs de stroom wordt alles groen en fris. Ja overal waar de rivier stroomt komt leven.

Een heel eind verder stroomafwaarts aan diezelfde stroom van genade vinden we eeuwen later Paulus in Efeziërs 3. Hij zit daar op zijn knieën van verwondering. En hij spreekt daar zijn verlangen uit dat de gelovigen in Efeze niet zo’n beetje blijven pootjebaden. Maar dat ze zich mogen gaan realiseren hoe diep en krachtig de stroom van genade is die voortkomt uit het hart van God. Paulus kiest daarin zijn eigen taal. Ook zijn lichaamstaal. Hij zegt: ik buig mijn knieën voor de Vader. Hij maakt daarmee zichzelf klein en maakt zo alle ruimte voor de grootheid en heerlijkheid van God. Het buigen van je knieën dat geeft iets aan van diepe emotie, van grote ernst, van heilige eerbied.

Wanneer hebt u, heb jij voor het laatst je knieën gebogen voor God? Heel letterlijk. Ons lichaam mag helemaal meedoen in het ontmoeten van God. In het omgaan met God. En zo biddend, op knieën ziet Paulus uit naar de werkzame kracht van Gods Geest die altijd weer komt tot afhankelijke, knielende, biddende mensen. Die Geest die ervoor zorgt dat Christus kan gaan wonen in je hart. Niet als een gast die komt en gaat of een logé die steeds maar een poosje blijft. Zo’n gast, zo’n logé die leer je op die manier nooit echt kennen je leert elkaar pas echt door en door kennen als je voluit je leven met elkaar deelt. Dagelijks met elkaar optrekt. Bij elkaar woont. En dat is precies waar Paulus aan denkt als hij het gebed uitspreekt dat Christus door ons geloof Christus kan gaan wonen in ons hart. Dat woordje wonen betekent hier echt blijvende intrek nemen, zich settelen als een huisgenoot die is gekomen om te blijven.

En omdat Christus een huisgenoot is die komt om te blijven en er altijd te zijn kan er met hem een enorm sterke band groeien. Een liefdesband waarin je, zoals Paulus dat zegt, geworteld en gegrondvest blijft. Geworteld zoals een plant die met haar wortels diep verbonden is met de aarde en zo alles ontvangt aan energie aan voeding aan leven om uit te groeien en vrucht te dragen. Gegrondvest zoals een huis dat stevig rust en staat op een fundament. Onwrikbaar, stevig, standvastig.

Wie zo in Gods liefde is geworteld en gegrond. Die is minder afhankelijk van de omstandigheden. Zulke gelovigen zijn er veel. Die meebewegen met hoe het ze gaat. Je lijkt dan wel wat op een thermometer. Je reageert op wat er in je omgeving gebeurt. Je gaat mee in het klimaat. Als het warm is, geef je dat aan. Als het koud is, blijf jij ook koud. Als er gezeurd, geklaagd, gemopperd wordt, doe jij dat ook. Als mensen elkaar de maat nemen, doe je je duit in het zakje.

Maar je kunt ook zoiets als een thermostaat zijn. Dan beïnvloed je het klimaat. Als de verhoudingen ijzig koud zijn, breng jij met aardigheid en vriendelijkheid aangename warmte.  Als er makkelijk wordt geoordeeld of snoeihard wordt afgeschreven, blijf jij mild en vergevingsgezind. Als iedereen zijn hart sluit voor iemand die een beetje afwijkt, ben jij degene die aankijkt, uitnodigt en opzoekt. Wie naar zo’n levenshouding verlangt die krijgt hier het geheim aangereikt. Het geheim van geworteld en gegrond zijn in Christus.

Let er op dat Paulus niet bidt dat Jézus in ons hart mag komen wonen. Die was immers al aanwezig in het leven van de gelovigen. Vanaf het moment dat ze hun hart aan de Heer hadden gegeven. Dat lezen we in Efeziërs 1. Nee, nu bidt hij nadrukkelijk dat ‘de Christus’ door het geloof in ons harten mag wonen. De Christus, dat is de gezalfde van God. Dat is de opgestane, de levende, de aanwezige die aan de rechterhand van de Vader regeert. De Christus dat is de aanduiding voor de volheid van alle plannen die God de Vader door Hem met ons heeft. Alles wat ons in Hem is geschonken. De Christus dat is een verzamelnaam voor alles wat er leeft aan genade en liefde in Gods hart.

De Christus, dat is de aanduiding van een geheimenis waarvan de kwantiteit en de kwaliteit niet te vatten is. Te diep om te peilen, te groots om te begrijpen. Daar is je leven te kort voor, je zicht te beperkt. Je hebt daar op zijn minst alle andere gelovigen voor nodig. Alle heiligen van alle tijden en van alle plaatsen samen. Paulus zegt: Dan, hij bedoelt, als de Christus in je is komen wonen en je steeds meer in de liefde bent geworteld en gegrondvest, dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.

Dat is ook een aansporing om hen die ons zijn voorgegaan op de weg van het geloof niet te vergeten. Dat betreft onze eigen geliefden die we korter of langer geleden moesten loslaten. Het getuigenis van hun leven, hun nagedachtenis, de geestelijke erfenis die zij hebben achtergelaten. Die mogen voor ons aanmoedigingen zijn om nu ook op onze beurt met overtuiging de weg van het geloof te blijven zoeken en gaan en daarin niet zuinigjes te blijven pootjebaden maar ons uitstrekken naar de inwoning van de Christus naar diepere verworteling, stevige grondvesting om zo vol te stromen met Gods volkomenheid..

Misschien vindt u dit allemaal wel erg hoog gegrepen. Voelt het aan als grote golven waar u al pootjebadend niet op zit te wachten, voor terug schrikt. Ligt dit niet ver buiten mijn bereik? Het is alsof Paulus op die gedachte heeft gerekend. Hij eindigt zijn gebed met een lofprijzing die aanvoelt als een enorm hart onder de riem. Aan hem die door de kracht die in ons werkt bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij vragen of denken, aan hem komt de eer toe, in de kerk en in Christus Jezus, tot in alle generaties, tot in alle eeuwigheid.

Dat is een bijzonder krachtige manier van formuleren. Kijk, het is al wonderlijk dat de Vader kan doen en uitwerken wat wij bidden. Het is nog wonderlijker dat hij kan doen wat wij niet eens vragen maar alleen nog maar denken. Maar nog bijzonderder is het dat we lezen dat Hij bij machte is véél méér doen dan wij bidden of denken. En alsof dat nog niet genoeg zegt Paulus: dat hij oneindig veel meer kan doen dan wij vragen of denken

Wat moet ik nu met het visioen van Ezechiël? En met dit gebed van Paulus? Ik denk dat ze in ons leven eerst en vooral verlangen willen wakker roepen. Alles, ook alles wat God doet, begint met verlangen. Iemand heeft dat eens heel mooi gezegd: “Als je samen een schip wil bouwen, begin dan niet met hout te verzamelen, en ook niet met werk verdelen en orders geven. Nee, als je een schip wil bouwen oefen elkaar dan eerst en vooral in verlangen, verlangen naar de eindeloze zee.”

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie