Met vlag en wimpel!

(Romeinen 8, 37)

Vorige week zag ik op TV een voorstelling van de cabaretier Pieter Derks. Ik heb er buitengewoon van genoten. Scherp, prikkelend en zeer geestig. Zijn laatste zinnen bleven me bij. Hij zei ongeveer het volgende: ik gun mijn dochtertje een God van hoop en van liefde. Maar ik heb zo mijn twijfels….en daarom probeer ik het zelf voor haar te zijn.

In diezelfde week las ik op mijn vakantieadres in de Noord-Hollandse krant een column van een pastoor. Het ging over hemelvaartsdag. De pastoor herinnerde zijn lezers aan de leerlingen van Jezus die op de Olijfberg afscheid namen van hun Heer. En terwijl ze nog naar de hemel staarden waren daar toen die mannen in witte gewaden die hen de vraag stelden: wat staan jullie naar de hemel te kijken? Daarop kwamen de leerlingen in beweging en gingen zij terug naar de stad. Hemelvaartsdag, zo schreef de pastoor, is niet een dag om stil te staan en naar boven te turen. Hemelvaartsdag is juist veel meer een aansporing om in beweging te komen.

Als ik me niet vergis kijken wij ook veelal op deze manier tegen Hemelvaartsdag aan. Het is het moment van afscheid van de lichamelijke aanwezigheid van Jezus onder de mensen. Maar, zo zeggen en denken we er meteen bij, Jezus belooft bij zijn afscheid ook meteen zijn Geest. En daarmee is Hij op een andere, nieuwe manier nog veel sterker aanwezig onder ons en in ons. En zendt Hij ons de wereld in als zijn getuigen. En dat is ook zeker het geval. En vanuit die overtuiging mogen we inderdaad In beweging komen. En, zoals Pieter Derks dat verwoordde, zelf iets van hoop en liefde te belichamen  in dit harde en vaak zo hopeloze bestaan.

En toch is daarmee niet alles gezegd. Met Jezus’ hemelvaart gebeurt er meer dan dit. Want Jezus valt niet samen met zijn geestelijke aanwezigheid in deze wereld, in de gemeente, in ons hart. Jezus zelf is als overwinnaar de hemel binnen gegaan. En heeft er plaats genomen aan de rechterhand van God. Daar heeft hij van God de koninklijke scepter gekregen en heeft hij alle macht gekregen in de hemel en op aarde. Jezus bevindt zich zogezegd in de stuurhut van de schepping. En heeft daar het stuur vast in handen. En zal de schepping naar haar bestemming leiden.

Het is ergens wel jammer dat die engelen daar op de Olijfberg de leerlingen van Jezus al weer zo snel op hun schouders hebben getikt en hen in beweging hebben gezet. En misschien zouden zij vandaag de dag tegen ons juist hebben gezegd: sta er maar eens goed bij stil. Raas niet te snel weer door.  Realiseer je dat met Jezus hemelvaart er zich iets voltrekt, dat van wezenlijk belang en van grote waarde is. Voor de hele schepping en ook voor je eigen staan daar in.

Die aansporing om hier nu juist wel echt bij stil te staan. die kom je verderop in het Nieuwe Testament op allerlei plekken juist heel sterk tegen. Ik denk aan dat bekende woord uit Kolossenzen 3: Streef naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet wat op de aarde is. U bent immers gestorven en uw leven ligt met Christus verborgen in God. Je kunt ook denken aan de Hebreeënbrief waar uitvoerig wordt gewezen op Christus, die voor ons de weg heeft gebaand naar God en daar als de grote Hogepriester dienst doet in het hemelse heiligdom. Daar op ons betrokken is en voor ons bidt.

En ook Romeinen 8 is zo’n soort tekst. Paulus schetst de wereld zoals hij die waarneemt. En hij wordt daar niet meteen blij van. Hij hoort hoe zij zucht en lijdt. En wij kunnen dat vandaag met hem meevoelen. Beter geinformeerd dan welke generatie dan ook, horen we dagelijks het zuchten en lijden van een schepping die kraakt in haar voegen.

Voor je het weet wordt je meegezogen in een onderstroom van bezorgdheid en somberheid. En heel vaak zijn we zo overweldigd en in beslag genomen door het leven zoals dat zich aan ons opdringt, dat we het grotere plaatje uit het oog verliezen. Het is het hier en nu virus dat je helemaal kan opslokken. En het waarheen, de bestemming, de toekomst verlies je ongemerkt steeds meer uit het oog. Je leeft van de ene impressie naar de andere. En ook je geloof kan zo’n impressie worden. Een momentopname, één van de impulsen, die je in de loop van de week krijgt toegediend. Maar naast deze ene impuls staan vele anderen die je aandacht opeisen, je kijk op de wereld bepalen en ongemerkt krijgt je een soort heen-en-weer-geloof. Soms geloof je, soms niet. Bidden doe je nog als je tijd overhebt. Hoopvol ben je alleen als de omstandigheden er aanleiding toe geven en liefde betoon je als je eraan toe bent.

En Paulus plaatst hier een andere manier van leven tegenover. Hij laat zich niet meesleuren door de waan van de dag. Huilt niet mee met de wolven in het bos. Maar laat een heel eigen geluid horen. Een hoopvol geluid. En dat komt omdat hij oog heeft en houdt voor het grotere geheel, het wijdere perspectief. Van de weg de God gaat met deze wereld.

Hij neemt scherp waar dat deze schepping zucht en lijdt. Maar dat is niet het zuchten en lijden van een stervende. Het is het zuchten en lijden van een vrouw die aan het bevallen is. En de pijnscheuten die door ons bestaan trekken. Het zijn weeën die een geboorte aankondigen. De geboorte van een nieuwe wereld. Het begin van een nieuwe tijd.

Paulus ziet een wereld bezeten door machten en krachten. Hij worstelt zelf net als anderen met tegenslagen, ellende, vervolging, honger, armoede, gevaar, geweld. En toch komt hij tot die ene krachtige uitspraak in vers 37: Wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad. Heel precies staat er: In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad. In dit alles zegt Paulus. Niet er na. Midden in dit wiebelige bestaan met alles wat er zich in voordoet gaan we niet ten onder, zullen we toch de eindstreep halen. En niet maar ternauwernood, op het nippertje. Maar ruimschoots, glansrijk, met vlag en wimpel.

Dat is geen misplaatste zelfoverschatting. Dat is geen wereldvreemd halleluja-christendom. Het is de taal van een gelovig man. Die heeft geleerd om verder te kijken dan zijn eigen nederlagen en falen. Die ook meer ziet en hoort dan een wereld in pijn en nood. Het is de taal van een mens die zijn identiteit vindt in Christus. In Christus Victor om precies te zijn. Christus de overwinnaar.Hij heeft de beslissende slag geleverd op Golgotha. Hij heeft glansrijk overwonnen en is op Pasen glorieus verrezen. En is mij nu voorgegaan om de overwinning thuis te brengen. En in het hemelse hoofdkwartier de vlaggen van bevrijding al te hijsen. En die wapperende vlaggen die houden mij gaande. Want al leef ik nu nog in bezet gebied. Al lijdt ik soms nederlaag op nederlaag en krijg ik de ene na de andere tegenvaller voor mijn kiezen. In Hem is ook voor mijzelf het beslissende gebeurd. Mijn schuld verzoend, mijn schaamte bedekt, de banden verbroken, de machten verslagen, de duivel geveld, de dood overwonnen, de buit binnen, de overwinning behaald. In dit alles, wijn we meer dan overwinnaars, door Hem die ons heeft liefgehad. En niets kan me daar nog van scheiden.

En dat is nu echt waar Paulus uit leeft. En deze overtuiging heeft zich zo sterk in hem vastgezet dat niets hem daar nog van kan scheiden. Deze hoop geeft aan zijn levenshouding stevigheid, ruggengraat, incasseringsvermogen. Deze verbondenheid met Christus Victor geeft hem bij tijden vleugels. En niet alleen als de zon schijnt, de wind mee zit en alles OK is. Maar juist ook te midden van de weerbarstigheid van dit bestaan. Heeft Paulus geleerd om niet alleen te zuchten maar ook te zingen. Soms juist in de donkerste nacht, Soms tegen de hoogste klippen op.

In de 2e Korintiërsbrief verwoordt hij dat heel treffend: we worden van alle kanten belaagd, maar raken niet in het nauw. we worden aan het twijfelen gebracht, maar raken niet vertwijfeld. we worden vervolgd, maar worden niet in de steek gelaten, we worden geveld, maar gaan niet te gronde. we hebben verdriet maar toch zijn we altijd verheugd, we zijn arm maar toch maken we velen rijk. we bezitten niets maar toch hebben we alles.

In alle tijden zijn ze er geweest. Heel gewone mensen die uit dit geloof hebben geleefd. Zo iemand was Bastiaan Arie Barendregt. Hij zat in het verzet en belandde in de zomer van 1941 in een dodencel in Rotterdam. Op 19 september van dat jaar zou hij 22 jaar worden. En uitgerekend op die dag werd hij gefusilleerd. Wat hij naliet was een getuigenis in de vorm van een laatste afscheidsgroet. Het luidde als volgt. ‘Lieve vader en moeder. Voordat u deze brief leest, moet u Romeinen 8 vers 31 tot 39 lezen. Als u deze brief leest, ben ik er niet meer. Maar u moet weten, dat als ik tegen de muur sta, deze woorden van Paulus zullen leven in mijn hart. Ik dank u voor alles. Mijn konijnen zijn voor zus. Laat ze goed voor hen zorgen.’

In koninklijke paleizen is het de gewoonte om, als de koning in huis is, de vlag voor het paleis te hijsen. Dus als je langs het paleis komt en de wapperende vlag ziet dan weet je: de koning is in huis en hij regeert. Op Hemelvaartsdag is in het hemelse hoofdkwartier de vlag gehesen. En die gaat nooit meer naar beneden. En de wapperende vlag in de hemel vertelt: de koning is thuis, hij regeert. En ook zijn onderdanen zullen volgen en delen in zijn overwinning. En niet maar ternauwernood, op het nippertje. Maar ruimschoots, glansrijk, met vlag en wimpel.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie