Lichaam van Christus (Efeziers 4:1-16)

(Efeziërs 4:1-16)

Hoe gaat het bij jullie in de kerk? U zult die vraag ook wel eens gesteld krijgen. Je raakt met iemand in gesprek over geloof en kerk. En die ander vraagt je: de Maranathakerk zeg je? Wat is dat voor een kerk? Hoe is het daar? Hoe gaat het met jullie gemeente? Tja, wat zeg je dan op zo’n vraag. Je kunt vertellen over de activiteiten die er zijn. Je kunt iets zeggen over hoeveel mensen er naar de dienst komen op zondagmorgen. Of wat je in de diensten aanspreekt. Als iemand dan nog wat doorvraagt naar wat nu specifiek is voor de Maranathakerk dan kun je de vergelijking trekken met andere kerken. We zijn een beetje minder zus en een beetje meer zo.. Je kunt iets zeggen over de ontstaansgeschiedenis. Of juist vertellen over de plannen voor de toekomst. Maar dan blijft je toch wat hangen aan de buitenkant denk ik.

Als je die vraag echt wilt beantwoorden. Hoe het gaat met de Maranathakerk. Dan zal je iets moeten zeggen over de vraag of God er aan het werk is. Zijn Geest er waait. Of er ook sprake is van geestelijke groei. Dat is een onderwerp dat Paulus aansnijdt als hij brieven schrijft aan verschillende gemeenten. Dat ligt echt op zijn hart. Het verlangen dat mensen groeien in hun geloof. Individueel en ook samen als gemeenschap.

Hij spoort mensen aan om als gelovigen niet in hun kinderschoenen blijven staan. Om geen melk blijven drinken, maar over te stappen op vast voedsel en zo volwassen te worden in geloof. In 1 Korintiërs 13 zegt Paulus van zichzelf: toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. En een hoofdstuk verder spoort hij zijn lezers aan om hetzelfde te doen: Broeders en zusters, wees in uw denken niet als kinderen. (..) wees in uw denken volwassen. En aan het begin van deze brief zegt hij tegen diezelfde Korintiërs: ik kon tot u niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus.

Wanneer ben je eigenlijk volwassen in je geloof? Je kunt op internet wel lijstjes tegenkomen van kenmerken die horen bij volwassen geloof. Ik deel er een paar om uzelf even aan te spiegelen.

  1. Er zit in je relatie met God stabiliteit die niet per se mee schommelt met hoe je je voelt en wat je beleeft.
  2. Je hebt vaste disciplines ontwikkelt in meditatie, bijbelstudie, gebed, aanbidding en wandelt zo elke dag met God.
  3. Je hebt een gezonde balans in je leven tussen bezig zijn, dienen, ontspannen en genieten.
  4. Je vergelijkt jezelf niet voortdurend met anderen maar strekt je er naar uit dat jij de mens mag worden zoals God jou heeft bedoeld.
  5. Je hebt hart voor kwetsbare mensen die op je pad komen en ziet naar hen om
  6. Je kunt je nog steeds verwonderen over Godsmomenten in je dagelijkse leven
  7. Je kunt omgaan met mensen die heel anders denken dan jij en probeert van hen te leren.

Het zijn zomaar wat aspecten die kunnen helpen om jezelf en elkaar de vraag te stellen: waar ben ik eigenlijk op de weg van groeien in geloven.

Als Paulus zegt dat mensen zich in hun geloof soms zo kinderlijk gedragen dan bedoelt hij dat zij zich teveel laten leiden door hun stemmingen, hun gevoelsdriften. Paulus noemt zulke mensen ook wel ‘zielse’ mensen die gestuurd worden door hun ziel. Door hun eigen gevoelens, impulsen en wil. De oude natuurlijke mens heeft het nog voor het zeggen. En dat maakt zulke kinderlijke gelovigen kwetsbaar. In Efeziërs 4 vergelijkt Paulus deze kinderlijke gelovigen Met een bootje dat stuurloos ronddobbert en met elke wind meewaait, met wat er maar verkondigd wordt.

Dat is een sprekend beeld. Een bootje zonder roer en zonder zeil. Dat hulpeloos dobbert op het open water en een prooi is van de wind, de golven en de stromingen. Het beweegt alle kanten op maar vaart geen eigen koers. En gaat dus eigenlijk ook nergens heen. Zo kan iemand in het geloof staan. Dat er weinig richting, weinig vastigheid in zit en je heel gemakkelijk laat meevoeren door meningen en geluiden van anderen en dat je eigenlijk heel erg op en neer kunt schommelen en daarin kwetsbaar bent en onzeker.

En tegenover dit prille en onvolgroeide kwetsbare geloof staat een meer volgroeid, volwassen, gerijpt geloof. En die meer volgroeide manier van geloven. Die wordt in vers 15 omschreven in misschien wel een van de mooiste zinnen uit de brieven van Paulus: ons aan de waarheid te houden én elkaar lief te hebben. En het is precies die combinatie die aan het geloof een enorme kracht kan geven. Waarheid zonder liefde wordt al snel fanatiek, dogmatisch, grimmig, veroordelend, afschrijvend. En liefde zonder waarheid verzandt altijd ineen nietszeggende, vage, softe, vrijblijvende tolerantie

Je aan de waarheid houden is overigens meer dan het onderschrijven van een aantal dogma’s. Die zijn ook belangrijk en hebben zeker een functie. Maar het bijbelse begrip waarheid heeft alles te maken met waarachtigheid. Het heeft niet alleen betrekking op de leer, maar ook op het leven. Het betekent wat je belijdt ook uitleven. De waarheid, dat heeft alles te maken met Jezus die zegt: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. En je aan de waarheid houden heeft dus alles te maken met het volgen van Jezus.

En dit je houden aan de waarheid wordt hier nadrukkelijk verbonden met het liefhebben van elkaar. De niet eenvoudige opdracht is dus om en tegelijk voluit trouw te blijven aan dat  waar je met hart en ziel in gelooft. Én toch verbonden te blijven met anderen in de gemeente die de dingen wellicht heel anders zien en beleven

En dan niet het soort gemeenschap dat bestaat uit losse eilandjes clubjes en kliekjes van gelijkgezinden die het reuzefijn hebben met elkaar. Maar met argusogen kijken naar anderen. Nee, zegt Paulus, jullie gemeenschap is te vergelijken met een organisme, een lichaam. Het beeld van een lichaam is wel een spannend beeld. Het gaat tegelijkertijd over eenheid en verscheidenheid. De eenheid van een lichaam is dat het leeft van dezelfde zuurstof en voedingstoffen. Zo leeft de kerk van één hoop, één geloof, één doop van één en dezelfde God die ons aller Vader is. De eenheid zit m ook in de samenhang, de verschillende processen en systemen waarin alles met alles verbonden is en op elkaar inwerkt. En tegelijk bestaat dat ene lichaam uit allerlei organen, lichaamsdelen en ledematen die ook ieder een eigen functie en rol hebben en op een eigen manier bijdragen aan de gezondheid en het functioneren van dat ene lichaam.

Het is een prachtige aanduiding voor een geloofsgemeenschap. In plaats van evangelisch of reformatorisch, hervormd of gereformeerd. Worden we benoemd als lichaam van Christus. Van Christus die het hoofd is en daarmee dus bepalend en sturend is voor het hele lichaam.

Kijk, en naar de mate dat een individueel lid ook zo gegroeid is dat Christus zijn, haar leven

bepaalt, stuurt, vult en bezielt. Naar die mate zal dat lid ook meebewegen in het lichaam. In 1 Korintiërs 2 staat van deze volgroeide manier van geloven: Wij hebben de gedachten van Christus. In plaats van aangestuurd te worden door zijn eigen ziel wordt de volgroeide gelovige aangestuurd door Christus.

Bedenk intussen dat Paulus pas begint over dit groeien in h4. Eerst heeft hij het drie hoofdstukken lang gehad over alles wat we in Christus ontvangen hebben. Die drie hoofdstukken hebben we samengevat met het werkwoord ‘zitten’. Alles begint met het rusten in en leven uit die genade. En nu we beginnen aan het middendeel van deze brief gaan we van zitten over naar de modus van wandelen. Maar steeds vanuit het besef dat iedere stap ik die ik zet wordt bepaald door de mate waarin ik rust in Christus.

Het blijft ook in dit middenstuk draaien om Christus. Christus is aan de ene kant het hoofd van waaruit alles wordt aangestuurd en dat de samenhang en de eenheid aanbrengt. En anderzijds is Christus ook het hoofd waar we samen naar toe mogen groeien. Hij is het begin en het einde, de eerste en de laatste. En Hij wil in het hele lichaam gestalte krijgen

Er is niets mooiers dan een goed functionerende gemeente. Waar mensen gepassioneerd vasthouden aan de waarheid en elkaar van harte dienen uit liefde. Daar halen we in elkaar het beste naar boven en wordt in alle leden samen Christus zichtbaar. Maar een gemeente is ook maar net zo sterk als haar zwakste schakels. Als een lid niet verbonden is aan het hoofd. Niet leeft van diezelfde genade. Niet zijn rustpunt vindt in Christus. Dan gaat het op die plek in het lichaam mis. Dan stagneert daar de groei. Wordt daar het lichaam van Christus ziek, zwak en bleek. Daar lopen de radertjes dan vast

Hoe gezond en hoe sterk en hoe krachtig het lichaam is. Dat hangt dus helemaal af van de mate waarin alle afzonderlijke ledematen in goede gezondheid verkeren. Gezegend de gemeente waarin alle leden groeien in de richting van Christus. Gezegend de gemeente waarin we elkaar helpen om te groeien naar een volwassen manier van geloven

In een volwassen gemeente heeft ieder lid een eigen persoonlijk omgang met God. In een volwassen gemeente gaan mensen met elkaar om in de stijl van Jezus zelf. Vasthoudend aan waarachtigheid en elkaar dienend in de liefde. In een volwassen gemeente realiseert ieder lid zich dat hij deel uit maakt van een organisme, een lichaam. En dat het lichaam alleen gezond kan functioneren als ook ikzelf bereid ben mijn eigen bijdrage te leveren. Ook als ik dat zelf niet altijd zo fijn vindt en er zin in heb. Daarom doe ik mee aan een huiskamergesprek in mijn buurt. Daarom ben ik er bij als we ons als gemeenschap oefenen in de gemeenschap met Christus aan het avondmaal. Daarom neem ik als het even kan een taak op die bij me past. En daarom neem ik ook financieel mijn verantwoordelijkheid in wat ik bijdraag aan een gezonde financiële basis voor onze gemeente.

Er is een verhaal over een stel dat gaat trouwen en het niet zo breed heeft. Ze willen toch hun bruiloft graag vieren met het hele dorp. En dus vragen ze aan iedere gast om één fles wijn mee te nemen en die fles uit te gieten in een groot vat bij de ingang van de feestzaal. Zo zorgen we er samen voor dat er voor iedereen genoeg is.

Eén van de gasten heeft geen zin om zelf een fles wijn bij te dragen. Het kost hem te veel. Hij heeft het er niet voor over. Hij neemt een wijnfles en vult die met water. Als iedereen verder wijn meeneemt zal niemand merken dat ik er water in giet, denkt hij. Het feest begint en mensen hebben een fles bij zich en alle flessen worden netjes leeggegoten in het grote vat bij de ingang. Ook de gast die zijn fles met water heeft gevuld giet de inhoud er van er in. Niemand heeft iets in de gaten.

Tot het feest begint en de bedienden uit het grote vat de wijn scheppen en die willen gaan ronddelen. Dan blijkt dat er in het hele vat niets anders zit dan water. Iedereen valt stil. De muziek stopt. En de éne na de andere gast druipt af. Iedereen begrijpt wat er is gebeurd. Niet één, maar élke gast heeft gedacht: “Ach, als ik één flesje water doe, merkt niemand het”. Zo viel het hele feest in het water.

Hoe het met de Maranathakerk gaat? Hoe het staat met geestelijke groei in onze gemeente? Dat hangt steeds opnieuw af van wat u jij en ik er in investeren. Want de Maranathakerk, dat zijn wij zelf. Dat bent u, dat ben jij, dat ben ik. Een andere Maranathakerk is er niet.

 

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie