Jullie zijn mijn handen

(Markus 16:15-20)

Het gebeurt net na de 2e WO. Een klein stadje in Normandië, Frankrijk heeft zwaar geleden van de oorlog. Veel inwoners zijn gedood, of zwaar invalide geraakt. Vrijwel alle huizen liggen in puin. Inclusief het oude kerkje in het hart van de stad.

Amerikaanse soldaten, die dichtbij hun kamp hebben opgeslagen, helpen de mensen bij het bouwen van noodwoningen en barakken. Een groepje gaat aan de slag met het herstel van het kerkje. Veel mooie dingen liggen onder het puin bedolven. Het kostbaarste is een beroemd middeleeuws kruisbeeld, waar de mensen van het stadje aan gehecht zijn. Na lang zoeken en voorzichtig puinruimen vinden de soldaten het oude houten kruis met daarop het lichaam van de gekruisigde. Alleen de handen ontbreken. Maar hoe ze ook zoeken, van de handen van Jezus geen spoor.

Veel lokale bewoners lopen die dagen met hun ziel onder de armen. Waar begin je in zo’n enorme puinhoop? Zal het ooit nog iets worden met hun dorp? Om nog maar te zwijgen over de scherven en brokstukken in hun hart. Als de tijd nadert dat de soldaten verder moeten trekken proeft één van hen wat er in de lucht hangt. Hij loopt naar dat oude kruisbeeld zonder handen en schrijft met wit krijt op de dwarsbalk: you are my hands, “jullie zijn mijn handen”. Het is een uitspraak die precies de juiste snaar raakt. En de ene na de andere dorpeling beseft: Wij mogen nu voor elkaar iets van Jezus zijn. Voor elkaar een hand en een voet zijn. Elkaar steunen en bemoedigen. En wat kapot is gegaan waar we kunnen herstellen.

Jullie zijn mijn handen. Woorden die op een bepaalde manier ook wel passen bij hemelvaart. De leerlingen van Jezus hebben wel wat weg van de bewoners van de Franse stadje. Jezus neemt afscheid en vertrekt. Zij blijven achter en moeten verder. Maar hoe? Jezus laat eigenlijk weinig sporen na. Hij schreef geen boeken, zelfs geen kleine brochure. Hij heeft geleefd als een zwerver, en laat dus geen huis na dat kan worden ingericht als Jezus-museum. Er zijn ook geen persoonlijke bezittingen die in dat museum getoond kunnen worden. Hij trouwt niet, heeft geen nakomelingen en is dus niet een soort van koninklijke familie begonnen. De enige sporen die Jezus nalaat in deze wereld zijn zijn leerlingen die met hem zijn opgetrokken. Jezus leeft voort in zijn volgelingen.Zij blijven achter en krijgen de opdracht om iets zichtbaar te maken van wie Jezus is. De beweging die Jezus is gestart, wordt nu overgedragen aan zijn leerlingen. En voor leerlingen Jezus toen en nu geldt: jullie zijn mijn handen. Jullie zijn mijn lichaam.

Misschien denk je, dat is wel veel gevraagd. Wij zijn ook maar gewone stervelingen. Wij zijn Jezus niet. Markus is er in zijn evangelie eerlijk over. Jezus heeft drie jaar met zijn leerlingen opgetrokken maar je krijgt toch steeds de indruk dat zij maar weinig begrijpen van de manier van leven waarin Jezus hen wil meenemen. Ze hebben vooral veel vragen en als het puntje bij het plaatje komt en Jezus sterft aan het kruis laten zij hem alleen en haken zij af. En na Pasen blijven zij dichtgeklapt en lamgeslagen achter. Het Markusevangelie eindigt oorspronkelijk bij vers 8: Ze (dat zijn de leerlingen van Jezus) waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.

Dus dat motto: jullie zijn mijn handen is wel erg hoog gegrepen. Dat kun je ook zeggen als je kritisch kijkt naar de geschiedenis van de kerk en van christenen. God is best, Jezus is prima, maar zijn grondpersoneel valt vaak tegen. Iemand die zelf christen is zei het eens heel beeldend: wij christenen zijn dan wel Jezus lichaam, zijn ogen, oren en handen, maar door de manier waarop we ons gedragen laten we Jezus met bloeddoorlopen ogen, ezelsoren en twee linkerhanden door de wereld gaan.

Jullie zijn mijn handen. Als je jezelf een beetje kent, aarzel je misschien zelf ook wel wat: om gezien te worden als handen van Jezus, deel van zijn lichaam. Je voelt aan er geen reden is om daar triomfantelijk over te doen. Daarvoor is deze wereld te gebroken. Is ons menselijk bestaan te chaotisch, zo niet maakbaar. Er is alle reden om bescheiden te zijn over onze rol. We laten zelf immers al genoeg steken vallen. Laat staan dat wij deze wereld kunnen fixen.

Eerlijk gezegd schrikt een deel van mij ook wel terug voor dit mandaat. Want als ik de handen van Jezus ben, als ik deel ben van zijn lichaam kan ik ook nooit meer zomaar voor mezelf leven. Dat wat anderen gebeurt, raakt ook mij. Zo gaat dat in een lichaam toch? Als er ergens een ontsteking zit, een zieke plek dan heeft het hele lichaam daar last van. Als één lid lijdt, lijden alle leden mee.

Dus als wij de handen zijn van Jezus zijn we verbonden met alle leerlingen van Jezus en eigenlijk ook met alle mensen naar wie zijn liefde uitgaat en ook naar de hele schepping waar hij zijn leven voor heeft gegeven. En als het met de aarde en de natuur niet goed gaat, dan raakt dat ook mij als deel van dat organisme. Handen van Jezus zijn, dat maakt mijn leven er bepaald niet eenvoudiger op.

Toch zit er ook iets moois aan de gedachte handen van Jezus te zijn, deel van zijn lichaam. Dat ik deel uit maak van iets dat groter is dan ikzelf en mijn kleine leven. Een hand is deel van een lichaam en vanuit dat grotere geheel ontvangt de hand leven, kracht, sturing. En samen met de andere ledematen zijn de handen tot veel in staat.

Dat is iets moois aan leerling van Jezus zijn. Ik maak deel uit van een hele beweging. Ik voel me verbonden met andere leerlingen. We delen onze inspiratie, warmen ons aan elkaar en roepen bij elkaar verlangen wakker. Nemen elkaar mee in een way of life. Samen zijn we tot veel in staat. Dat geeft me ontspanning. Ik ben een schakeltje in een keten. Ik hoef het allemaal niet alleen te doen en ook niet zelf te bedenken. En als ik het zelf niet in huis heb en soms weer teveel voor mezelf leef word ik door andere leerlingen, andere leden van het lichaam van Jezus weer meegenomen in de juiste richting.

En aan dat beeld van handen van Jezus zijn zit nog een andere hoopvolle kant. Want als ik zijn handen mag zijn, ben ik niet alleen verbonden met andere ledematen. Dan ben ik ook verbonden met Jezus zelf. Hij is en blijft zeg maar het hoofd van zijn lichaam. En ook na hemelvaart blijft er die verbondenheid. Ik hoorde afgelopen week iemand zeggen: als Jezus weg gaat, laat hij geen leegte achter maar een ruimte. Een ruimte waarin hij op een andere manier toch zeer aanwezig is. Augustinus, een bischop uit de eerste eeuwen zei: U ging voor onze ogen naar de hemel en we keerden bedroefd terug om u terug te vinden in onze harten. Door niet langer fysiek en in persoon bij ons te zijn schept Jezus ruimte om geestelijk bij ons te zijn. Doordat God door zijn Geest in ons komt komen. En ons van binnenuit vormt gaan we op den duur iets van Jezus weerspiegelen in wie we zijn. Paulus heeft het in Galaten 4,19 over Christus die in ons gestalte krijgt. Letterlijk staat daar: totdat Christus vorm in ons krijgt. Dat is onze bestemming als leerlingen van Jezus.

Geniaal bedacht is het. Dat iets van Jezus oplicht in talloze mensen die iets van Hem weerspiegelen. Brieven van Christus worden we ook wel genoemd. Mensen in wie gaandeweg iets van de vrucht van de Geest groeit: liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Een dichter zei eens: Jezus acteert op tienduizend plaatsen in de gelaatstrekken van velen.

De hemel is een deel van de schepping, van de werkelijkheid die voor ons verborgen is. Het is een dimensie die wij niet kunnen waarnemen maar die veel dichterbij is dan wij vermoeden. Er hangt zeg maar een soort van gordijn tussen de hemel en onze werkelijkheid. En soms wordt iets van die scheidslijn opgeheven en raakt de hemel even aan de aarde. Zo’n moment noemen we dan een Godmoment. Er zijn plekken op aarde die thin places worden genoemd omdat je je er dichtbij de hemel voelt. De hemel hangt er laag, zeggen we dan. En er zijn ook mensen bij wie dat zo is. In wie je iets proeft van Gods aanwezigheid. En als je zo iemand ontmoet knap je er altijd van op. Voel je even echt gezien. Maakt je hart een sprongetje, voel je je geliefd en waardevol. Misschien denk je nu wel aan een specifiek iemand. Misschien denkt iemand nu wel aan jou. Want dat is onze bestemming, vrienden. Dat we iets van Jezus belichamen voor elkaar en de ander. En daar samen in groeien.

Kijk vandaag eens naar je eigen handen. Bedenk eens wat je zoal met deze handen doet. Zijn het handen die vooral pakken en nemen? Of kunnen jou handen ook geven en delen. Zijn het handen die mooi en schoon blijven?  Of maak je ze ook wel eens vuil door te dienen? Zijn het handen die kunnen dragen en tillen? Die weten wat vasthouden is en volhouden? Zijn het gebalde vuisten of een opgeheven vingertje? Of zijn het handen die kunnen bemoedigen, troosten? Hoe vaak zijn deze handen eigenlijk open of gevouwen? In gebed, om van God te ontvangen wat nodig is? Zijn het slappe handen of zijn ze krachtig, gezaghebbend? Wanneer hebben deze handen voor het laatst iemand gezegend, gerust op iemands hoofd of schouder en heel direct iets overgedragen van de kracht van Jezus. In vergeving, vrede, bevrijding en heling overgedragen. Kijk af en toe eens naar je handen. En stel jezelf regelmatig eens de vraag: hoe en voor wie waren dit vandaag handen van Jezus?

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie