Het goud in de barsten

(2 Korintiërs 4: 7-15 – YouTubeclip: Falling plates)

Het Onze Vader eindigt overtuigend. De slotwoorden staan als een huis: Want van U is het koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen. Zeker als je de nadruk legt op het woordje ‘is’. Het is de taal van proclamatie, van aanbidding. De taal van een hart dat zich in alles en ondanks alles volledig richt op wie God was, is en zal zijn.

De toon van aanbidding is door heel de Bijbel heen te horen. Psalmisten, profeten en apostelen kennen deze taal. En de hele bijbelse openbaring loopt uit op aanbidding. Als Gods kinderen van alle tijden en plaatsen eindelijk thuis zijn gekomen bij God vinden ze elkaar in lofprijzing en aanbidding: ‘Lof, majesteit, en wijsheid, dank en eer en macht en kracht komen onze God toe tot in eeuwigheid. Amen.’ (Openb. 7,12)

Daar in de hemelse gewesten vraagt iemand in Openbaring 7: wie zingen daar toch? Waar komen ze vandaan? En het antwoord is: degenen die hier het hoogste lied zingen zijn degenen die uit de grootste verschrikkingen komen. Nu hoeven ze geen honger meer te lijden en geen dorst. En worden alle tranen uit hun ogen gewist. Daar in de hemelse gewesten blijft pure aanbidding over. Hier op aarde is aanbidding gemengd met tranen. Met aanvechting en moeite, strijd en gebed.

Zoiets proeven we ook in het Onze Vader. Net voor dat krachtige slotaccoord bidden we om vergeving van schuld, leiding en bescherming in verzoekingen, verlost te worden van de boze. En daar doorheen en bovenuit is er de lofprijzing: Van Ú is het koningschap, de kracht, de heerlijkheid. Het beslissende, het verlossende komt niet van mij, van ons maar van U!

In 2 Korintiërs 4 komen we ook deze combinatie tegen. Het hoopvolle en het gebrokene wordt bijeen gebracht in dat ene beeld in vers 7: Wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat, het moet duidelijk zijn dat onze overweldigende kracht niet van onszelf komt, maar van God. (2 Korintiërs 4,7) Dat samengaan van Gods kracht met menselijke kwetsbaarheid is voor Paulus niet alleen typerend voor zijn apostelschap. Het is ook echt een grondtrek van het christenleven. Zonder lijden geen heerlijkheid, zonder kruis geen kroon. Zo was de weg van onze Heer, zo zal ook onze weg zijn. We dragen iets van het sterven van Jezus met ons mee, opdat ook het leven van Jezus in ons bestaan zichtbaar wordt. Wij levenden worden altijd omwille van Jezus aan de dood prijs gegeven opdat in ons sterfelijk bestaan ook het leven van Jezus zichtbaar wordt. En, voegt Paulus er even later aan toe: dit gebeurt omwille van u zodat Gods goedheid die zich door steeds meer mensen verbreidt ook tot steeds meer dankzegging leidt, tot eer van God. (2 Kor 4:10-11, 15) Het loopt uit op lofprijzing en aanbidding maar de zuiverste en meest heldere tonen klinken op uit de donkerste dalen, uit de grootste verschrikkingen.

We blijven even bij het beeld dat ons hier wordt aangereikt. Dat van een kostbare schat verborgen in een kruik, een vaas van aardewerk. Als bij u en mij een mooie vaas kapot gaat en in stukken ligt is onze eerste reflex misschien om de scherven bijeen te vegen en weg te mikken en op zoek te gaan naar een nieuwe vaas. Of, als we denken dat het kans van slagen heeft, spannen we ons in om de vaas zo te lijmen dat de breuken niet meer te zien zijn en ie er weer zo goed als nieuw bij staat. Hersteld in de oude staat noemen we dat. Zo doen we dat in onze tijd en cultuur: we houden van nieuw, van gaaf, van glanzend en als het even kan van ongeschonden.

In Japan gaat men hier anders mee om. Japanners kennen de kunst van kintsugi. Letterlijk betekent het zoiets als: herstellen met goud. Een gebroken vaas wordt met behulp van lak en puur goudstof weer in elkaar gezet. Maar in plaats van de breuklijnen te verbergen maakt het goud in de barsten juist de breuklijnen heel zichtbaar. De vaas wordt niet zoveel mogelijk in de oude staat teruggebracht maar wordt op deze manier mooier en kostbaarder dan ie ooit geweest is. Juist door het goud in de barsten. Het geeft aan de herstelde vaas karakter, iets heel eigens. Zoals de lijnen en groeven in het gezicht van iemand die door het leven is getekend, een heel eigen schoonheid hebben. Anders dan de altijd glanzende en strak getrokken huid van iemand die kosten wat het kost jong wil blijven en zonder rimpels.  Kintsugi schept een eigen wonderlijke schoonheid die juist oplicht, zichtbaar wordt in gebrokenheid.

Het slot van het Onze Vader doet me denken aan de whiskey-priester. Hij is een personage in een boek van Graham Greene dat in het Nederlands ‘het geschonden geweten’ is gaan heten. De oorspronkelijke Engelse titel vertel ik zo. Deze indrukwekkende roman speelt zich af in Mexico rond 1940. Communisten proberen daar het christendom weg te vagen.  Gebouwen en heilige voorwerpen worden vernield. Gelovigen worden verjaagd en priesters worden gedood. In een bepaalde Mexicaanse staat blijft nog één priester over. Hij is 68 jaar oud en leeft al acht jaar onder deze druk. Hij heeft iets van een antiheld. Hij heeft als ongehuwde priester een kind verwekt, denkt er voortdurend over om ook het land te verlaten en is verslaafd aan sterke drank. Vandaar zijn naam: de whiskeypriester.

En toch is juist in deze zwakke man ook iets anders zichtbaar. Er schuilt in hem toch iets van God zelf, van genade, van compassie. Hij reist zo onzichtbaar mogelijk van dorp naar dorp. Neemt gelovigen de biecht af en bedient waar hij kan het avondmaal. Als hij tegen het einde van het boek zichzelf in veiligheid heeft gebracht in een andere staat, wordt op hem een beroep gedaan om terug te keren en een stervende man de biecht af te nemen. Hij weet ergens dat het een valstrik is, maar besluit toch te gaan. Hij kiest voor gehoorzaamheid aan zijn roeping. Hij zal worden doodgeschoten door de luitenant die aldoor jacht op hem heeft gemaakt. En net voor de executie raken de twee in gesprek. De jager en de prooi. En dan zegt de whiskypriester: ‘God is werkelijk liefde. Ik zal niet beweren dat ons hart niets van die liefde proeft. Maar hoe weinig en hoe onzuiver. Wij proeven niets van die liefde dan een heel klein glaasje, vermengd met een liter slootwater.’

Dat is waar dit prachtige boek over gaat. God is niet afwezig in menselijk falen, in mislukking, zelfs niet in regelrechte kwaadaardigheid. Je zou denken dat het allemaal alleen slootwater is. Als lezer ben je voortdurend geneigd afstand te nemen van deze whiskey-priester en zijn zwakke, zwabberende gedrag. Tegelijk is er ook iets in hem dat boeit, dat aantrekt. Dat maakt dat je toch door blijft lezen. Het is denk ik omdat het innerlijke leven van deze man zo ongemakkelijk en pijnlijk eerlijk blootlegt wat ik ergens ook in mijn eigen hart tegenkomen. En het bijzondere is dat ondanks alle halfslachtigheid de genade van God toch nooit afwezig is. In deze naar alcohol ruikende priester schuilt, hoe vreemd ook, toch ook iets van een heilige.

Wie denkt dat het met de executie van deze laatste priester ook definitief afgelopen is met het christendom in dit gebied vergist zich. Als teken van hoop arriveert er na de dood van de whiskeypriester in deze regio onverwachts toch weer een nieuwe, jonge priester. Graham Green gaf aan dit boek de titel: The Power and the Glory. Ontleend aan de slotregel van het Onze Vader: For thine is de kingdom, the power and the glory, forever and ever. Niet van mij, niet van ons, maar van U, van God komt het koninkrijk, de kracht, de heerlijkheid. Een koninkrijk dat we aantreffen als glinsterend goud in onze gebrokenheid. Een kracht die zichtbaar wordt zelfs in een stinkende whiskeypriester. Een heerlijkheid die de gestalte aanneemt van een dienaar. Van een verbroken lichaam, vergoten bloed. Brood, wijn, voor ons allen en voor de hele wereld.

Leestip: Graham Greene, Het geschonden geweten, 2011

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

1 Comment

  • Reply Adriaan Schuurman Hess 21 november 2018 at 15:32

    Daar in de hemelse gewesten vraagt iemand in Openbaring 7: wie zingen daar toch? Waar komen ze vandaan? En het antwoord is: degenen die hier het hoogste lied zingen zijn degenen die uit de grootste verschrikkingen komen. Ik vind dit een prachtige tekst, ik geloof het direct, maar in Open baring 7± 13 zie ik niet staan dat deze mensen, die uit die grote verdrukking komen, zingen, laat staan het hoogste lied zingen.

  • Plaats een reactie