God keert alles om (psalm 146)

(Psalm 146, Lukas 1,46-55 – luisterliederen ‘God keert alles om’, ‘Halleluja’ en ‘Broken Halleluja’)

Onlangs overleed de Joodse zanger Leonard Cohen. Hij werd onder meer bekend door het liedje Suzanne en vooral door het bekende nummer ‘Halleluja’. Een lied dat door talloze andere artiesten is gecoverd. Zoals u weet betekent Halleluja: prijs de Heer! En dit lied halleluja heeft wel iets van een eigentijdse psalm

Het lied zinspeelt op bijbelse figuren als David en Simson die oprecht en met hun hele hart God willen dienen. En tegelijk hun worsteling hebben op het gebied van erotiek, aantrekkingskracht en seksuele verleiding. Simson heeft z’n Delila, David z’n Batseba. En in het lied gaat het dan over het zingen van een heilig of een gebroken halleluja. Soms zingt David een heilig halleluja vanuit een zuiver en ongedeeld hart. Op andere momenten zit hij tussen de brokstukken en scherven van zijn leven met de bende, de puinhoop die hij er van maakt. Maar ook dan blijft hij zich keren naar God. Ook dan looft hij God met zijn lied al is het  op zulke momenten meer met een gebroken halleluja.

Zo’n heilig én gebroken halleluja, dat is wat je hoort in psalm 146. Zeker als je weet in welke tijd de psalm geschreven is. In zeer oude handschriften staat boven deze psalm: van Haggaï en Zacharia. En daarmee hebben we een aanwijzing over de periode waarin deze psalm is ontstaan. Zo om en nabij het jaar 520 voor Christus.

Het is dan alweer zestien jaar geleden dat de eerste ballingen terugkeerden uit Babel. En OK, ze zijn dan weliswaar weer thuis. Maar een gespreid bedje is het daar zeker niet. De tempel ligt nog altijd in puin. De oogsten vallen jaar op jaar tegen en dat betekent schaarste, armoede en sjagrijn alom. In het noorden lopen de spanning op met de Samaritanen en in 527 wordt Palestina geteisterd door plunderende Perzen die op oorlogspad zijn naar Egypte. Het zijn barre en troosteloze tijden zonder veel hoop.

En dan is er iemand die dit lied schrijft en zingt. Het begint met een overtuigd Halleluja! Loof de Heer, mijn ziel. De Heer wil ik loven, zolang ik leef. Mijn God bezingen zolang ik besta. En zo eindigt de psalm ook: De Heer is koning tot in eeuwigheid, Je God, Sion, van geslacht op geslacht. En dan is daar tot slot opnieuw een krachtig halleluja! En tussen de halleluja’s in en tussen de regels door proef je iets van het gesprek dat deze persoon voert. Een gesprek met de mensen om hem heen. Een gesprek ook met zichzelf. Om in barre en duistere tijden niet te veel van mensen te verwachten. Hoeveel macht mensen ook hebben en hoe groots hun plannen ook kunnen klinken. Het zijn en blijven stervelingen die voorbij gaan. Hoe briljant en hoe begaafd ze ook zijn. Zet ze niet op een voetstuk. Want vroeg of laat valt zo’n voetstuk om en blijf jij achter met stukgeslagen idealen. Vertrouw niet op mensen met macht. Op een sterveling bij wie geen redding is. Stokt zijn adem, hij keert terug tot de aarde. Op die dag gaat hij met zijn plannen ten onder.

Nee, je bent beter af, zegt deze psalmist, je maakt een gelukkigere keuze als je je hulp zoekt bij de Heer, de God van Jakob. Gelukkig, wie de God van Jakob tot hulp heeft, wie zijn hoop vestigt op de Heer zijn God. Wat opvalt is dat het hier niet gaat over vertrouwen in God in het algemeen. Nee, heel bewust zegt de psalm dat je gelukkig bent. Als je de God van Jákob tot hulp heeft.

Jakob is eigenlijk een heel wonderlijke figuur in de Bijbel. Hij is één van de drie aartsvaders samen met Abram en Izak. Maar juist hij, Jakob, is bepaald geen voorbeeldige gelovige. Zijn vader was een slappeling, zijn moeder een intrigante, zijn broer een oppervlakkige levensgenieter, zijn oom een onbetrouwbare egoïst, zijn zoons tot het ergste in staat. En zijn eigen leven hangt aan elkaar van manipulatie, bedrog en geldingsdrang. Jakob was van zichzelf geen groot succes. Niet als zoon, niet als man, niet als echtgenoot. Niet als vader, niet als zakenpartner, niet als mens.

En deze psalmdichter haalt voor zichzelf en zijn tijdgenoten heel bewust juist deze figuur van Jakob naar voren. Met zo iemand als Jakob kunnen zij zich wel identificeren. Vanuit hun eigen gevoel van schaamte en onmacht. Het hele volk heeft collectief gefaald in het dienen van God. En ook in het omzien naar elkaar als samenleving. Zij zijn weggevoerd in ballingschap naar Babel. En nu, na zeventig jaar in den vreemde te hebben verkeerd, zijn ze weer terug in hun thuisland. Maar het al snel is duidelijk dat ze niet veel hebben geleerd. Ze hebben zichzelf ook weer mee terug genomen naar huis. Hun hart kon na al die jaren nog steeds even hard zijn. En dat van hun leiders al evenzeer. En met dit lied, deze psalm wil de psalmist zichzelf en de anderen bemoedigen. Een hart onder de riem steken. Zou deze God, die wilde omgaan met iemand als Jakob, dan ondanks alles niet ook onze God willen zijn en dat opnieuw worden en ook blijven?

Die aanduiding ‘God van Jakob’ richt niet alleen de spotlights op wat Jakob allemaal uitspookte. Ze richt onze aandacht vooral op deze God. Die ondanks alle steken die Jakob keer op keer liet vallen, ondanks Jakobs gesjoemel, geritsel, gerommel een leven lang met Jakob is blijven optrekken. Hem steeds opnieuw opzocht. Trouw is gebleven aan zijn beloften. Jakob zijn zegen heeft gegeven. En tot drager van Gods zegen heeft gemaakt. Hem een nieuwe naam gaf: Israël en zo stamvader maakte van een heel volk

Kennelijk is God niet per se op zoek naar mensen met een glanzend, glimmend en gepolijst leven. De mens die het eigenlijk goed heeft getroffen met zichzelf. De mens die niet altijd maar roept dat alles in orde is. Dat hij zichzelf prima redt. En geen problemen heeft. Misschien hooguit af en toe toegeeft dat iets nog wel een dingetje is.

Nee, Gods hart gaat uit naar mensen die misschien vast tot heel wat in staat zijn, capabel en talentvol en dankbaar voor zoveel goeds. Maar die aan dat alles niet hun identiteit ontlenen. Die op een dieper nivo verbonden zijn met hun eigen diepmenselijke fundamentele kwetsbaarheid. Of om het nog wat scherper te zeggen. Mensen die zicht hebben op de gebrokenheid van hun eigen bestaan, en dat van deze wereld. En die met al hun ambities, dromen en goede bedoelingen zich sterk afhankelijk weten van die wonderlijke God van Jakob.

Gelukkig, wie de God van Jakob tot hulp heeft. Het woord hulp, ezer in het Hebreeuws kom je in het OT veel vaker tegen. Het staat voor de zeer krachtige presentie van God in de meest benarde omstandigheden. En in psalm 146 maakt de psalmist heel duidelijk hoe die hulp van de God van Jakob er concreet uit ziet. Hij doet recht aan de verdrukten en geeft brood aan de hongerigen. Hij bevrijdt de gevangenen en opent blinden de ogen. Hij richt de gebogene op en beschermt de vreemdeling, de weduwe en wees.

De werkelijkheid van iedere dag is gebroken, gebarsten. Er zijn om ons heen zoveel verdrukten, hongerigen, gebogenen, blinden, gevangenen. En ook in mijn eigen bestaan ervaar ik op allerlei manieren die blindheid, die gevangenschap, dat neergebogene, die honger. En van die bevrijdende en helende God is vaak nog zo weinig te zien. En toch roept deze psalm op om ons te blijven richten op deze God. Om te midden van ons onvermogen, onze zwakte, ons falen, onze zonde, onze schuld te gaan ontdekken wat de God van Jakob wil doen. Wie Hij wil zijn hier en nu, voor u en voor mij. En daarmee krijgt psalm 146 de wonderlijke klank van een gebroken halleluja. Ik blijf hem lofzingen, al is het soms met een brok in mijn keel, druk op mijn borst en een gebroken stem.

Psalm 146 heeft iets van een protestsong. Het is een oproep om tegen de tijdgeest in, meer naar elkaar en de ander om te zien. En zo zelf Gods werk in deze wereld te doen. De hongerige te voeden, de gebogene op te richten. Om wie gebonden en gevangen is in de vrijheid te zetten. Om te zien naar de weduwe, de wees en de vreemdeling.

Psalm 146 is ook een lied van verlangen. Verlangen naar een koning, een gezalfde, een Messias die dit alles ook daadwerkelijk zal gaan doen. Die aan de God van Jakob een gezicht zou gaan geven. Handen, voeten en een stem. Dat verlangen proef je heel sterk als je de geschriften leest van de profeten Haggai en Zacharia, die in diezelfde tijd leven.

Vanmorgen lezen we naast deze psalm een ander loflied. Dat zo’n 500 jaar later klinkt uit de mond van Maria. In haar lied proef je de verwondering over een God die alles omkeert. Mijn ziel prijst en looft de Heer. Mijn hart juicht om God mijn redder. Hij heeft oog gehad voor mij zijn minste dienares. Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen. Heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien. Wie honger heeft over laadt hij met gaven. Maar rijken stuurt hij weg met lege handen.

God keert alles om. Dat is waar Maria over zingt. En daarmee lijkt haar lied sprekend op het lied van Hanna vele eeuwen daarvoor. Hanna die jarenlang onvruchtbaar en kinderloos blijft. Zij bidt dat God ook naar haar zou willen omzien. En als zij dan toch gezien wordt en gezegend wordt met een zoon, Samuël, dan zingt ook zij een lofzang voor God die alles omkeert: De Heer doet sterven en doet leven. De Heer maakt arm en Hij maakt rijk. Vernedert diep en hef hoog op. De zwakke en de arme helpt hij overeind. Hij haalt hen uit het stof en uit het slijk.

God keert alles om. En niet alleen bij anderen. Dat doet Hij ook voor mij. Dat is Maria’s grootste verwondering. Dat onder al die miljoenen God juist ook haar op het oog heeft: Zijn minste dienares. Paulus spreekt een soortgelijke verbazing uit. Dat Jezus juist ook Hem opzocht: de minste van de broeders. En dat is in alle tijden steeds typerend voor wie God is. God keert alles genadig en wonderlijk om. God zoekt naar de honger, de schreeuw om die te stillen. God heeft oog voor het geknakte om het te kunnen oprichten. Hij is er op uit om wie gebonden is in de ruimte te zetten.

God keert alles om. En daarom is Hij altijd op zoek naar verfomfaaide en gekreukelde mensen. Dat is materiaal waar de God van Jakob iets mee kan. Waar Hij het liefst mee werkt. Noach was dronken, Abraham te oud, Lea was lelijk, Jozef werd mishandeld, Mozes was een stotterende driftkop, Rachab was een hoer, Jeremia was depressief, David ging vreemd, Elia wilde zelfmoord plegen, Jona liep gewoon weg, Petrus verloochende Jezus, de Samaritaanse vrouw was tig keer gescheiden, Zacheüs was gierig, Paulus een haatdragende christenvervolger. En Lazarus was dood……

Uitgerekend zulke mensen zoekt God. U dus, en jou en ook mij. Hij aanvaardt en omarmt onze gebrokenheid. Maar Hij houdt teveel van ons om ons zo te laten. Hij keert in ons leven alles wonderlijk om. Heelt onze wonden, verbreekt onze ketens. Opent onze ogen, stilt onze honger. Verzacht de eenzaamheid. Richt ons steeds genadig op. Ja, gelukkig, wie de God van Jakob tot hulp heeft. Amen.

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie