Geroepen tot zegen

(Genesis 12:1-9)

Abram, hij wordt de vader van alle gelovigen genoemd. Je zou ook kunnen zeggen: Abram is het archetype van de gelovige mens, de oergestalte van de gelovige. Wil je weten wat geloven is? Kijk dan naar iemand als Abram.

Een ga-mens
Zijn hele leven zou je kunnen samenvatten met die ene zin uit Genesis 12: De Heer nu had tot Abram gezegd: ga gij. Zo staat het er precies in het Hebreeuws: Ga! Jij! ‘Ga’, dat is al 2e persoon enkelvoud, En dan nog eens ‘jij’ er achteraan. Dat is dus dubbel op. Ga jij, ja jij, Abram, ga! Klemmend en indringend. Het is gewoon niet te vertalen maar het betekent zoiets als: Abram, wees geheel en al een mens die gaat! Een ga-mens.

Niet vanzelf
Juist in de Abram-verhalen wordt pijnlijk duidelijk dat dat gaan, dat op weg gaan, bepaald niet vanzelf gaat. Abram groeit op met twee broers, tot een van de twee sterft. Abram trouwt met Sarai, maar Sarai blijkt onvruchtbaar. Om de een of andere reden besluit Abram’s vader Terah met zijn familie op reis te gaan, op weg naar Kanaän maar hij blijft halverwege steken in Haran. Abram heeft mensen om zich heen die hun bestemming niet lijken te vinden:

een broer die niet leeft, een vrouw die niet baart, een vader die zijn reisdoel niet bereikt en straks ook nog een neef Lot die een verkeerde afslag neemt en op een zijspoor belandt in Sodom. En dan hoort juist deze Abram de stem: ga, jij. Wees jij helemaal een mens die gaat, Abram!

Jij moet verder gaan. Verder dan de mensen om je heen opbrengen. Verder dan je zelf voor mogelijk houdt. Verder dan je neus lang is…

Een plan voor alle mensen
Niet dat God meer van Abram zou houden dan Hij houdt van Abram’s vader, broer, neef of vrouw. Nee ook al die mensen hebben een plekje in het hart van de Heer. Net als Abram’s slavinnen en slavinnen trouwens. En mensen van vreemde volken die Abram onderweg nog zal ontmoeten. Gods hart is groot genoeg voor alle volken. Hij heeft een zegen voor alle mensen. Maar hij kiest iemand als Abram uit om die zegen van God te dragen en te verspreiden

Voorrecht en opdracht
En zo is het nog. God zoekt mensen die voor Hem in deze wereld zijn licht en liefde kunnen verspreiden. U, jij en ik. Dat is een groot voorrecht. Waarin je zelf ook veel ontvangt

Maar het is tegelijk ook een opdracht die veel van je vraagt. Kijk maar naar Abram: De Heer zei tot Abram, ga jij, uit je land, uit je familie en uit het huis van je vader

Uit je land
Uit je land trekken. Dat betekent voor Abram meer dan zomaar een verhuizing. Het staat vooral voor het afscheid nemen van een bepaalde manier van denken. Van Babel waar mensen geloofden dat alles al in de sterren staat geschreven. Dat alles eigenlijk al vast ligt.

Dat alles komt zoals het komt en alles gaat zoals het gaat. Er is nu eenmaal niets aan te doen.Als je zo denkt valt er eigenlijk nooit iets nieuws te verwachten. En uit dat benauwde denken roept God Abram weg. Ga jij! Uit je land. Jij Abram bent geroepen om anders te gaan leven.  Niet te dromen van wat nu eenmaal vast ligt, maar te dromen van wat worden kan.

Uit je familie
Verlaat ook je familie.. Dat is de wijdere kring waarin Abram is opgegroeid, de streekgewoontes en dorpstradities die hem met de paplepel zijn ingegoten. Laat dat, hoe waardevol ook, niet allesbepalend voor je zijn Abram. Laat wie je bent en hoe je leeft

niet allereerst gedicteerd worden door je achtergrond. Laat voor alles bepalend zijn dat je een mens bent die gáát, gehoorzaam aan Gods stem.

Uit het huis van je vader
En alsof dat nog niet genoeg is, zegt de stem er ook nog bij: ‘verlaat het huis van je vader’.

Niet je achternaam bepaalt wie je bent, niet ‘van wie jij er eentje bent’, maar dat waar je voor leeft, de weg die je bewandelt, de stem die je volgt. Meer dan een zoon van Terah ben je geroepen om vriend te worden van God.

Een nieuw spoor
En dan gaat Abram. Als ds. Nico ter Linden in ‘Het verhaal gaat’ dit verhaal opnieuw vertelt, kiest hij de volgende woorden: Aan de ene kant is het een gebeuren van niets, een nomadensjeik die zijn kameel zadelt, omdat hij een vreemde kriebel heeft en weg wil. Maar op het ogenblik dat die kleine karavaan zich in beweging zet, houden God en zijn heilige engelen in de hoge hemel hun adem in. Want daar beneden is een mensenkind dat als eerste een vermoeden heeft gekregen dat het leven geen eindeloze cirkelgang is, geen eeuwige kringloop. Nu begint de geschiedenis van de mensen opnieuw. Ik zie, ik zie wat jullie niet zien…zei Abram. Ik geloof dat we het leven als een lijn moeten zien, als een weg. En hij waagde zich op die weg…

Abram niet op een voetstuk
Toen ging Abram….een onbekende verte tegemoet. Hij wordt dan wel de vader van alle gelovigen genoemd. Een voorbeeld voor ons allen. Maar hij is bepaald geen held die zoiets even doet. Hij zal onderweg nog vaak genoeg onderuit gaan en terugvallen in de oude patronen. Zo vaak slaat de twijfel toe. Raakt hij als een aangevochten mens in paniek. Probeert hij weer allerlei eigen zekerheden rond zich te verzamelen.

Tussen Bethel en Ai
Abram slaat zijn tenten op tussen Bethel en Ai. Plaatsen met veelbetekenende namen. Bethel, u weet het, dat betekent: huis van God. En Ai: dat betekent puinhoop. En daar ergens tussen die twee uitersten in, daar zet Abram zijn tentje op. Soms is hij ineens zo dicht bij God. Is het zo goed daar bij dat altaar. En op andere momenten moet hij zeggen: mijn hemel, wat heb ik er weer een puinhoop van gemaakt.

Niets in handen
Toch verdient Abram die titel wel: Vader van alle gelovigen. Vooral vanwege dat eenvoudige zinnetje.. En Abram ging…. Op onze checklists zou Abram niet hoog scoren:

Routeplan? nee; adres eindbestemming? nee; reisverzekering? nee; voldoende bagage? vraagteken; goed reisgezelschap? vraagteken. Van de God die hem roept, kent hij nog niet eens de naam. En of en wanneer die stem weer zal klinken, dat zal nog moeten blijken.

Dat is een kwetsbare positie. Niets in handen, niets op zak. Niets om op te vertrouwen dan alleen de stem. alleen het woord, de belofte van God

Focus op het woord
Ja, alles begint hier met het woord van God. De Heer nu zei tot Abram: ga jij. Daar klopt het hart van Abram’s dynamische geloofsleven. Altijd maar weer gehoor geven aan de vreemde stem, die woorden van tegenover.. Woorden die niet alleen aanzetten tot verder gaan, maar ook iets van een dragende kracht in zich hebben. Ik zal de weg wijzen, Ik zal je groot maken,

Ik zal je zegenen..

Bron van zegen
Jij en ik Abram, laten wij samen verder trekken. In verbondenheid en vertrouwen. Weerspiegel jij zo iets van wie Ik wil zijn. Wees jij zo de drager en verspreider van mijn zegen. Ja, jij Abram, jij mag zo een bron van zegen zijn. Een bron waar ook anderen uit mogen drinken. Een bron die nooit opdroogt Abram. Zo lang jij je laat leiden door de stem.

Altaar
Een man van veel woorden is Abram niet. Maar als hij in het beloofde land aankomt, is er steeds één ding dat hij als eerste doet. Op iedere plek die hij aandoet. Te midden van de Kanaänieten met hun indrukwekkende oude heilige bomen stapelt hij wat stenen op elkaar. Als een altaar voor de Heer. Hij roept er de naam van de Heer aan. En zo belijdt hij: ik vertrouw mij toe aan deze God en aan geen andere.

Ook wij
Dat mogen wij ook doen. Vanmorgen in het bijzonder aan de tafel van de Heer. En vanuit die bemoediging, die versterking trekken we weer verder op onze route door het leven. In de creatieve spanning tussen dat het klemmende en indringende ‘ga jij’ en het veelbelovende en vertrouwenwekkende ‘Ik zal’

Karavaan
In het licht van dit roepingsverhaal heeft de gemeente van Christus eigenlijk ook wel iets van zo’n karavaan. Een bont gezelschap van reizigers die onderling heel verschillend zijn in achtergrond, in karakter, in geloofsbeleving, in levensfase en in zoveel dingen meer. Maar één ding hebben we gemeenschappelijk. we weten ons geroepen door de Stem. En iets in ons verlangt er naar om onszelf steeds opnieuw toe te vertrouwen aan die Stem. Om ons erdoor te laten leiden. Om zo, zelf levend uit de Bron, onderweg ook zelf een bron van zegen te zijn.

Thuis en in de buurt, op het werk en in de gemeente.

Zegen mij 

op de weg die ik moet gaan.

Zegen mij 

op de plek waar ik zal staan.

Zegen mij in alles, 

wat U van mij verlangt.

O God, zegen mij 

alle dagen lang!

 

Vader, maak mij tot een zegen;

ga mij niet voorbij.

Regen op mij met uw Geest, Heer,

Jezus, kom tot mij

als de Bron van leven,

die ontspringt, diep in mij.

Breng een stroom van zegen,

waarin U zelf 

steeds mooier wordt voor mij.

 

Zegen ons 

waar we in geloof voor leven.

Zegen ons 

waar we hoop en liefde geven.

Zegen om de ander 

tot zegen te zijn.

O God, zegen ons 

tot in eeuwigheid!

 

Vader, maak ons tot een zegen;

hier in de woestijn.

Wachtend op uw milde regen,

om zelf een bron te zijn.

Met een hart vol vrede,

zijn wij zegenend nabij.

Van uw liefde delend,

waarin wij zelf 

tot bron van zegen zijn.

Amen

Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie