Genade verbindt (Efeziërs 2:11-22)

(Psalm 133, Efeziërs 2:11-22 – bijpassend luisterlied Breng ons samen (Sela))

Hebt u wel eens gehoord van solo-religieuzen? Solo-religieuzen, dat zijn mensen die wel het christelijk geloof aan willen hangen. Maar weinig of niets hebben met een geloofsgemeenschap. Laat staan met een kerkgenootschap of een traditie. Solo-religieuzen vinden geloof vooral iets heel persoonlijks. Dat ieder mens op een unieke manier zelf vormgeeft. Een aantal jaar terug werd er in Amsterdam een symposium gehouden voor solo-religieuzen. En de opkomst was enorm! Best wel grappig eigenlijk, dat ook mensen die zich solo-religieus noemen elkaar toch massaal opzoeken op zo’n dag. Ook solisten willen kennelijk wel eens wat delen.

Er zijn ook mensen die zich op dit punt wat minder extreem opstellen. Je zou ze geloofstoeristen kunnen noemen. Ook zij houden liefst wat afstand tot andere gelovigen. Een geloofstoerist maakt zijn wekelijks uitstapje naar de kerk of doet dat wat minder vaak. En pikt dan bijvoorbeeld vooral de bijzondere diensten mee. Zo doet de geloofstoerist af en toe een geloofservaring op. Hij of zij houdt meestal wel iets van een toeschouwer. Iets vrijblijvends. Zoals je in de draaimolen kunt stappen en je rondjes meedraait. Maar je stapt er ook zo weer uit als je dat wilt.

En ergens snap ik zulke mensen wel. Solo-religieuzen en geloofstoeristen. Want zo eenvoudig is het nog niet. Om met andere gelovigen een gemeenschap te vormen. En daar ook van harte deel van uit te maken. Er kunnen allerlei haken en ogen aan zitten. Een van die vragen waar iedere geloofsgemeenschap mee te maken heeft is de spanning tussen eenheid en verscheidenheid. Als binnen een gemeente alle nadruk ligt op eenheid voelt het al snel aan als beknellend, dwingend. Maar als vooral verscheidenheid hoog in het vaandel staat kun je je soms afvragen wat er nog werkelijk verbindt. Wat je nog echt met elkaar deelt en gemeenschappelijk hebt.

Hoe vorm je nu een geloofsgemeenschap die tegelijk hecht is en samenhangend en waar ook ruimte is voor verschillen. Verschillen in opvattingen, in geloofsbeleving, in geloofsuitingen. Je kunt daar op verschillende manieren tegenaan kijken. Je kunt vooral inzetten op het aanbrengen van heldere grenzen. Er zijn nu eenmaal grenzen, zeg je dan, aan wat binnen onze gemeente past en kan. Laten we dat dan zo goed en precies mogelijk vast leggen. En elkaar er dan ook aan houden. Het accent ligt dan vooral op huisregels, op regelementen, op belijdenisgeschriften, op de kerkorde e.d.. En ergens heeft iedere gemeenschap natuurlijk grenzen nodig. Anders wordt het oeverloos en vervaagt je identiteit.

Maar je kunt er ook voor kiezen om toch niet je hoofdaandacht te richten op de grensen maar veel meer je te concentreren op het centrum, op de bron. Zoiets kom je tegen bij veeboeren in Australië. Zij weiden grote kudden op enorme grasvlakten. En er is daar dus geen denken aan dat je de kudde bij elkaar zou kunnen houden door het plaatsen van hekken. Wat zo’n veeboer dan doet is: hij slaat een bron, brengt de kudde bij de bron en laat hen daar los. En al grazend verwijderen de dieren zich op verschillende afstanden van de bron. De grenzen tussen binnen of buiten de kudde zijn in dit geval niet altijd zo helder, meer vloeiend. Maar wat deze dieren steeds weer samenbrengt is dat ze allemaal leven vanuit die ene bron.

In onze lezing uit Efeziërs 2 proef je de overgang van een gemeenschap die altijd bezig was met grenzen naar een andere manier van met elkaar omgaan. Minder vanuit de grenzen en meer vanuit de kern, de bron. Eeuwenlang hadden Joden zich afgezonderd van niet-Joden. Talloze voorschriften en leefregels waren de grenzen waarbinnen zij zich mochten bewegen. En buiten de grenzen waren de niet-Joden van wij zij zich verre hielden. Heel letterlijk zag je die grens lopen bij de tempel. Midden over het voorhof liep een muurtje. Alleen Joden mochten voorbij dat muurtje dichterbij komen. En op dat muurtje stonden waarschuwingen: wie als niet-Jood dit muurtje passeert wordt gedood.

Er is in die tijd een enorme afstand tussen Joden en niet-Joden. Er heerst over en weer een sfeer van vijandschap die leidt in de eerste eeuw na Christus soms tot straatgevechten en massale slachtpartijen. En dan ontstaat er een nieuw soort gemeenschap. Een kring van mensen die Jezus leren kennen als Verlosser. Hem willen volgen en belijden als Heer van hun leven. Het zijn de mensen van de Weg, mensen van Christus, christenen dus. En de eerste christenen hebben aanvankelijk een Joodse achtergrond. Maar dan komen er ook christenen bij die niet-Joods zijn en helemaal niets hebben. Met de Joodse manier van denken en leven. En die twee groepen staan voor de opdracht om samen een nieuwe geloofsgemeenschap te vormen. In dit geval in de stad Efeze.

En wat er dreigt te gebeuren is dat er eilandjes ontstaan. Zo ging dat nu en zo gaat dat nu ook nu vaak ook nog. Dat je binnen een gemeenschap een kring opzoekt van gelijkgezinden  en liefst alleen omgaat met mensen die net zo zijn als jij. En dat je andersdenkenden links laat liggen. Groepsvorming die al snel leidt in klassenvorming. Waarbij de ene groep meent meer aanspraak te kunnen maken op wat juist is en hoe het eigenlijk toch wel zou moeten. En dat liefst de ander ook zou voorschrijven.

En dan komt daar een brief van Paulus binnen die in deze prille geloofsgemeenschap wordt voorgelezen. En daarin staat een passage die precies ingaat op dit proces. En in plaats van te beginnen over het bepalen van nieuwe grenzen zet Paulus hier radicaal en met overtuiging in op de kern. Zoals een Australische veeboer slaat hij een bron. En brengt hij die gemengde kudde bij die ene bron waar zij toch eigenlijk allemaal uit hebben leren drinken.

Beste vrienden, zegt Paulus, onze bron is Christus. Het verzamelpunt waar we elkaar opzoeken en vinden is nergens anders dan aan de voet van het kruis. En precies daar op die plek is er een nieuw tijdperk geopend. Het is het tijdperk van het koninkrijk van God. En binnen het koninkrijk van God is er geen ruimte voor muurtjes of hekjes, voor hokjes of vakjes. En het koninkrijk van God is zeker geen klassenmaatschappij waarbinnen de een zich burger zou mogen noemen en de ander hooguit wordt getolereerd als een soort vreemdeling, bijwoner of gast. Er is binnen het koninkrijk van God nog maar één soort mensen: mensen voor wie Christus is gestorven. En die daarom volledig thuis mogen zijn bij God.

En als je in Paulus betoog de rode lijn volgt die vanuit hoofdstuk 1 doorloopt in hoofdstuk 2 dan zegt hij er dit bij. De enorme kracht van God die we hebben gezien in Christus’ opstanding. De kracht die ook in ons werkzaam is en ons levend maakt diezelfde kracht is het die nu ook ons als gelovigen aan en met elkaar verbindt. Dat is dus ook echt verbindende kracht. Het beeld dat wordt gebruikt is de bouw van een huis. Waarbij naast een stevig fundament en een hoeksteen het van belang is dat al die losse stenen ook goed op elkaar aansluiten. Letterlijk gaat het in vers 21 over een gebouw dat ‘goed samengevoegd’ of: goed ineensluitend verrijst tot een heilige tempel in de Heer.

Het is dus de kracht van God zelf die ons hecht en stevig aan elkaar wil verbinden. En de mate waarin we met elkaar verbonden zijn hangt af van de mate waarin we ook echt mogen rusten op het fundament van Christus. De mate waarin we groeien in samenhang en saamhorigheid zal sterk worden bepaald van de mate waarin we ook echt samen leven van genade. Steeds opnieuw samen drinken uit diezelfde bron.

Dat Gods genade mensen aan elkaar verbindt die elkaar niet per se zouden uitkiezen zie je op verschillende plaatsen in de Bijbel. Als Mozes met het volk Israël wegtrekt uit Egypte lezen we dat allerlei mensen met verschillende achtergronden zich bij deze karavaan aansluiten. Dat zijn mensen die een reden hebben om weg te gaan. Mensen met een strafblad, met een luchtje, gespuis dus. Er is geen selectie aan de poort, geen in-take. En deze vreemde vogels van allerlei pluimage worden genereus en genadig opgenomen in de kring en meegenomen op de weg van God. Genade verbindt…

En als David zich verborgen houdt in de spelonk van Adullam. Dan verzamelen zich rond hem zijn familieleden. En dan lezen we: ook voegde ieder zich bij hem die in nood verkeerde, ieder die een schuldeiser had en ieder die verbitterd van gemoed was, en van deze wonderlijke bende van Jan Rap en zijn maat wordt David de leider, ook weer een zooitje ongeregeld van mensen op wie van alles en nog wat aan te merken is. En die elkaar niet per se hebben uitgekozen. Maar ze vinden hun toevlucht bij deze David en krijgen zo gaandeweg ook iets met elkaar. Genade verbindt…

En zo zal dat later precies zo gaan rond Jezus. Waar een wonderlijk samenraapsel van vissers en tollenaars, tot schriftgeleerden en prostituees Jezus ontmoeten en zich bij Hem thuis voelen en aanvaard weten en zo gaandeweg ook iets krijgen met anderen die zij tegenkomen in de kring rond Jezus. Genade verbindt..

Als Maranathakerk zijn we op veel punten niet zo sterk gericht op het trekken van heldere grenzen. Over wat past en niet past, wat kan en niet kan. Al zijn zulke huisregels natuurlijk nodig, we leven daar niet van. We hebben vaak meer de neiging om ons te richten op de bron die ons samenbrengt en samenbindt. We werken met het gemeente-opbouwmodel dat ook echt die naam draagt: Leven uit de Bron. En met ieder die uit diezelfde bron wil drinken proberen we een hechte en samenhangende geloofsgemeenschap te vormen. Waarin er steeds minder geloofstoerisme is en wij ons steeds sterker en dieper met elkaar verbonden weten.

En dat proces van verbinding dat begint bij u, bij jou en bij mij. Dit gedeelte van de Efeziërsbrief stelt ons de vraag: herken ik die verbindende kracht van genade? Durf ik me daar ook aan gewonnen te geven. En ben ik steeds weer en steeds meer bereid om van mijn eilandjesgeest en groepsdenken los te laten en achter mijn eigen muurtjes en schuttinkjes  vandaan te komen. En steeds meer iemand te zijn die niet verdeelt maar verbindt. Die niet uitsluit maar insluit. Steeds minder iemand van hokjes en vakjes. En steeds meer iemand met een hart dat groot genoeg is voor allerlei soorten mensen. Iemand die zelf steeds weer  terug gaat naar de kern, de bron. En daar verassende verbindingen aan gaat met mensen die je zelf niet hebt uitgekozen. En die ook niet per se meteen je beste vrienden zijn of je type Maar in wie ik een broer, een zus herken in het geloof. Iemand voor wie Christus ook is gestorven. Iemand die drinkt vanuit dezelfde bron. En leeft van dezelfde genade.

Beste vrienden, dit jaar oefenen we ons als gemeente in leven uit genade. En in die genade zit dus ook een verbindende Goddelijke kracht. Een verbindend vermogen dat rechtstreeks voortvloeit uit het werk dat Christus heeft verricht aan het kruis. Daar heeft hij het verzet gebroken. Daar heeft hij de vervreemding opgeheven. Daar heeft hij de muur om ver gehaald. Daar steekt hij zijn armen wijd uit om alles en iedereen te verzamelen. En ons samen te smeden en samen te voegen tot een warme en hechte gemeenschap. Tot een plaats waar God woont door zijn Geest. Want: waar liefde woont, gebiedt de Heer de zegen. Daar woont Hij zelf, daar wordt zijn heil verkregen. En het leven tot in eeuwigheid.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie