Geen slaven meer (Romeinen 8,15)

(Romeinen 8:12-21)

iemand heeft eens gezegd: er zijn drie soorten honden. Je hebt honden die altijd aan de ketting liggen. Of opgesloten zitten in een kooi, bijvoorbeeld op een boerderij. Zo’n hond zit dus vast, opgesloten en is niet vrij.

Dan is er de straathond. Die ergens in een stad of dorp in een warm land over straat zwerft van vuilnisbak naar vuilnisbak. Vaak leven zwerfhonden in groepen. Kunnen ze gevaarlijk zijn en zorgen ze voor overlast. Zo’n zwerfhond lijkt vrij, maar hoe vrij is ie eigenlijk? Hij wordt elke dag opgejaagd door honger, moet altijd op zijn hoede zijn. Is nergens veilig, heeft geen rust, geen thuis. Het is een vrijheid die verloedert, verwildert. Of zo’n hond zich nu erg vrij voelt weet ik niet.

Er zijn honden die op een andere manier vrij zijn. Een goed getrainde hond hoeft niet aan de lijn. Zo’n hond loopt naast zijn baas, heeft geleerd op te letten. Herkent de stem van zijn baas uit duizenden en weet dat het wijs is en verstandig om te doen wat de baas zegt. Naarmate hij de baas beter leert kennen groeit de band en voelt hij zelf steeds meer aan wat er van hem wordt verwacht. Zonder dat het steeds moet worden gezegd.

Ook bij ons mensen zie je deze drie manieren van leven. Als je jezelf een beetje kent en goed om je heen kijkt Zie je dat wij mensen vaak niet echt vrij zijn. We maken van alles te groot in ons leven. Zoiets wordt dan een drijvende, overheersende kracht. We komen er dan nauwelijks meer van los. Het heeft ons in zijn greep, we zitten er aan vast. We liggen net als die hond vast aan een ketting.

En op andere momenten lijken we dan weer op zo’n zwerfhond. Ik maak mezelf dan wijs dat ik toch vooral mezelf moet kunnen zijn. Dat ik gewoon lekker mijn ding moet kunnen doen. Ik laat me vooral leiden door wat goed voelt voor mij. Juist als je je bevrijd hebt van iets wat je benauwde, gevangen hield. Een manier van geloven, een vriendschap, een thuissituatie. Je hebt dat achter je gelaten en van de weeromstuit kun je soms zo focussen op: en nu is het mijn beurt. Dat je je eigen vrijheid zo absoluut maakt zodat je er op een bepaalde manier ook weer onvrij van wordt. Voor je het weet ben je overgeleverd aan jezelf. Een gevangene van wat jij nodig hebt. Heb je de ene ketting verruild voor een andere. En ben je nog altijd niet echt en werkelijk vrij.

Ook voor mensen in de Bijbel is vrij zijn wel een dingetje. Door onze manieren van denken en leven verspelen we onze vrijheid en liggen we aan de ketting. Soms heel letterlijk als slaven in Egypte of Babel. En als aan de feitelijke slavernij een einde komt blijkt dat er diep van binnen de slaaf is gebleven. Je kunt wel een slaaf uit Egypte halen maar hoe haal je Egypte uit een slaaf?

De slaaf in mij wil het vooral zelf doen. Is gewend zichzelf te moeten bewijzen. Is gewend zijn plekje te moeten verdienen door zijn stinkende best te doen. De slaaf in mij is ten diepste altijd bang dat ik niet genoeg heb, niet genoeg ben. Dat ik schuldig zal worden bevonden. De slaaf is bang voor afwijzing, voor oordeel. Bang om tekort te komen. De slaaf in mij heeft geleerd vooral te pakken, te nemen en is bang om te delen, te geven. De slaaf in mij is gewend aan houden wat je hebt en is bang om los te laten, over te geven, te vertrouwen.

Je kunt een slaaf wel uit Egypte halen maar hoe haal je Egypte uit een slaaf? Hoe raak je de slaaf van binnen kwijt? Dat is waarom God afdaalt en door zijn Geest in mij wil wonen. Wil afdalen tot in mijn slavenhart. En daar de geest van slavernij wil verdrijven. Dat is wat we lezen in Romeinen 8: U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven. U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn.

Valt het je op dat er niet staat: u hebt de Geest ontvangen om vrije mensen te zijn. Tegenover de slaaf staat hier niet de vrije mens. Tegenover de slaaf staat hier het kind. U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn. Letterlijk staat er: U hebt de Geest van aanneming tot kinderen ontvangen. Je kunt ook vertalen: U hebt de geest van het zoonschap ontvangen. In die tijd was je jeugd verdeelt in verschillende fasen. En voor iedere fase was er een aparte benaming. En een heel deel van je jonge jaren hoorde je wel bij de familie maar er was een soort afstand tot je ouders met wie je nog niet zoveel omging. Je hoorde bij de familie maar je voelde je als een van de slaven. Je had vooral contact met een soort opvoeder.

Tot je rond je dertigste echt tot zoon werd uitgeroepen. Er hoorde een ceremonie bij en je vader zei dan tegen je: Jij bent mijn geliefde zoon, ik jou vind ik vreugde! Je kreeg daarmee een nieuwe identiteit. Vergeet nooit, jongen, wie je bent: mijn zoon. Ik ben niet wat ik presteer, ik ben niet hoe ik me voel. Ik ben niet wat ik verzamel aan bezittingen. Ik ben niet wat mensen denken dat ik ben. Ik ben hoe mijn vader naar mij kijkt en hoe hij mij noemt. En hij zegt mij: jij bent nu mijn zoon, mijn dochter. Dat is voor mij nu bepalend, zo zie ik jou zegt God. Zo behandel ik jou.

Er zijn allerlei stemmen in mij zelf en om mij heen die het tegendeel beweren en mij willen terugzetten in het leven en de mindset van een slaaf. Maar tussen al die stemmen daalt God zelf af door zijn Geest. En: zo lezen we: de Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn. Zet een stempel in onze ziel: Laat je niets wijsmaken, je bent mijn zoon, mijn dochter.

Ik herinner me dat ik als klein kind voor een heel aantal weken ging logeren bij een oom en tante. Het was mijn eerste logeerpartij en ik weet nog goed hoe onvrij ik me voelde. De eigen kinderen van mijn oom en tante waren er zo thuis, kropen bij hun ouders op schoot. En ik voelde steeds dat ik een loge was, was bang om fouten te maken en durfde me niet zo te geven.

Jongens en meisjes, stel dat er bij jou thuis een pleegkind komt wonen. Laten we hem Menno noemen. En na een poosje wennen zeggen je ouders: Menno, je bent nu echt deel van ons gezin. We beschouwen je als een van onze eigen kinderen. En stel je voor dat Menno daar maar niet aan kan wennen. Hij blijft steeds mijnheer zeggen en mevrouw. Hij loopt altijd op zijn tenen, wil zich bewijzen. Alsof hij zijn plekje echt moet verdienen. En als hij iets verkeerd doet, is hij zo van slag dat hij bijna niet horen kan dat het okay is. Dat het niet erg is, dat het vergeven is.

Menno wordt beschouwd als een zoon maar hij blijft zich gedragen als een loge. En dat is hoe het ook vaak gaat tussen ons en God. God neemt ons aan als zijn kinderen. En door zijn Geest spreekt hij diep in ons die nieuwe identiteit uit: ik hou van je, je bent mijn eigen kind. Maar wij gedragen daar niet altijd naar en blijven iets afstandelijks, iets angstigs houden.

En God wil ons vanuit onze nieuwe identiteit ook een nieuwe intimiteit leren. U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven. U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn. En om hem te kunnen aanroepen met Abba Vader

Ik gedraag me vaak als die Japanse oorlogsveteraan. Afgelopen week werd de invasie van Normandie herdacht. Er kwamen verschillende veteranen in beeld. Ik moest toen even denken aan luitenant Hiro Onada. Hij dient in de 2e WO in het Japanse leger en vecht op een eiland in de Filipijnen. Hij is met enkele andere soldaten geisoleerd geraakt in de jungle.

Als de Amerikanen daar in 1945 aan land komen geven veel Japanners zich over tegen de wil van hun legerleiding in. Onada wil daar niet aan. Hij ziet in die tijd wel wat pamfletten met de boodschap dat de oorlog over is maar hij vertrouwt het niet en denkt dat het om een list gaat van de Amerikanen. Hij blijft trouw op zijn post.

Onada trekt zich met enkele anderen terug diep in de jungle, hoog in de bergen. Daar leeft hij maar liefst dertig jaar lang met de gedachte dat de oorlog nog altijd aan de gang is. Bijna dertig jaar lang houdt de luitenant zich verscholen in het oerwoud. Hij voedt zich door rijst en bananen te stelen en af en toe een koe te doden. Soms ontstaan er vuurgevechten met mensen van de lokale bevolking.

Zo verstrijken vele jaren. In 1974 komt Onada een toerist tegen die hem vertelt dat de oorlog al lang over is. Maar Onada wil er niet van weten. Hij blijft op zijn post en zegt: Ik vertrek pas als ik een bevel krijg dat ik van mijn taak ben ontheven. Uiteindelijk wordt Onada’s oud-comandant ingevlogen die hem het bevel geeft om de strijd te staken en uit de jungle tevoorschijn te komen.

En toen, dertig jaar na de oorlog is luitenant Onada tevoorschijn gekomen vanuit de wildernis gekleed in flarden van zijn oude uniform. Zijn handen stevig geklemd om zijn oude geweer dat nog altijd werkte. Daar aan de rand van de jungle op de drempel van de vrije wereld staat zijn oude commandant op hem te wachten: Laat je wapens maar zakken, luitenant. Het is voorbij, Onada. Welkom in de vrijheid. De vrede is getekend.

Ergens hebben wel wat weg van deze Onada. De vrede is getekend, de vrijheid een feit. Zo begint dit magistrale Romeinen 8. Dus wie in Christus Jezus zijn worden niet meer veroordeeld. Maar we vertrouwen ons er maar moeilijk aan toe. Ergens blijven we op onze hoede, Verschansen we ons achter van alles en nog wat. Worden we vaak meer beheerst door angst dan door de vrijheid van de kinderen van God. Hoor vanmorgen het goede nieuws: U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven. U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn. Om hem te kunnen aanroepen met Abba Vader.

U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn. Naast een nieuwe identiteit en een nieuwe intimiteit betekent het kindschap ook een nieuwe autoriteit. Bij de Grieken en Joden betekende het ook dat je je deel van de erfenis kreeg en je kreeg een zegelring om de vinger geschoven waarmee je het gezag van je vader kon uitoefenen. Dus als we vandaag horen dat we de Geest hebben ontvangen om Gods kinderen te zijn, is ook de vraag: durf ik dan ook echt in die schoenen te stappen? Paulus zei tegen Timotheus:  God heeft ons niet een geest gegeven van lafhartigheid, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.

In Romeinen 8 lezen we dat de schepping er reikhalzend naar uitziet dat het openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. Wie de mensen zijn die in hun manier van zijn de geest van angst en slavernij verdrijven en een geest van vrijheid en kindschap verspreiden. Door zelf te leren wandelen en handelen in en vanuit een nieuwe identiteit, intimiteit en autoriteit. Zodat ook de schepping die zucht en lijdt zal worden bevrijd uit de slavernij en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt.

Op welke manier je die nieuwe autoriteit mag uitoefenen en wat dat concreet van je vraagt? Daarin gaat Gods Geest met ieder van ons een eigen weg. Allen die door de Geest van God worden geleid zijn kinderen van God. Twee van onze gemeenteleden weten zich geleid om de Heer te volgen naar Malawi en daar te gaan helpen om samen met Gods kinderen daar de geest van slavernij en angst te helpen verdrijven. En voor ieder van ons heeft de Heer een heel eigen weg en ook voor ons samen als Kruispunt VathorstOm op gegeven momenten in onze autoriteit te gaan staan. Ik kom daar volgende week in de preek op terug.

Tot slot nog dit: hoor je wat de apostel zegt: U hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn. Dat is een woord van ontspanning. We hoeven ons niet in duizend bochten te wringen om een bijzondere Geestervaring op te doen. U hebt de Geest ontvangen. Laat deze Geest dan ook ons leven vervullen. Zodat de geest van slavernij moet wijken. En ons leven steeds meer wordt beheerst door de Geest van aanneming tot kinderen. Zodat we steeds helder onze identiteit in Christus zien. Zodat we wandelen in een nieuwe intimiteit met God. En we ook durven te gaan staan in een nieuwe autoriteit. Want God geeft ons geen geest om opnieuw als slaven in angst te leven. Hij geeft ons Zijn Geest om in deze wereld Gods kinderen te zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie