Dwaze moeders (Lukas 1,39-56)

(Exodus 15:19-21; Lukas 1, 39-56 – luisterlied: Magnificat (Sela))

 Ik bekeek de afgelopen week de film ‘Twelve Years a Slave’. De hoofdpersoon in deze film is Salomon, een beschaafde, ontwikkelde fijnbesnaarde Afro-Amerikaans man die in alle vrijheid leeft in Noord-Amerika in de 19e eeuw ergens voor de Amerikaanse burgeroorlog. Hij komt terecht in het Zuiden van de VS en verliest zijn vrijheid. Twaalf jaar lang leidt hij het zware bestaan van een zwarte slaaf in het Zuiden van de Verenigde Staten. De last van regelmatige afranselingen, fysieke uitputting en constante vernederingen eisen hun tol. Salomon lijkt niet bestand tegen al deze ellende en kwijnt weg. Dan sterft één van de andere slaven en bij de begrafenis zet een oudere vrouw een lied in. Het is een van de bekende ‘negro-spirituals’ ‘Roll Jordan Roll’. Het wordt voor Salomon een kantelpunt. Het lied brengt iets van hoop terug in zijn geknakte bestaan. Hoop op een nieuw begin, een leven in vrijheid. Kijk even mee.

[filmpclip]

Negro spirituals hebben een heel eigen klank en kleur. Ze werden gezongen door Noord-Amerikaanse zwarte slaven. Eenvoudige pakkende melodieën, een swingend ritme. A-capella gezongen waarbij er één voorzanger is en de anderen daarop antwoorden, reageren. Spontaan, met handgeklap en kreten, amen’s en hallelujah’s. Zo zingen de slaven zich moed in, vinden zij troost, ploeterend op katoenplantages onder de bloedhete zon

Inhoudelijk hebben de meeste negro-spirituals een eenvoudige christelijke boodschap met veel verwijzingen naar het Oude Testament. Naar Mozes die wegtrok uit Egypte. Of Daniël die verlost werd uit de leeuwenkuil. Vaak komt ook de rivier de Jordaan voor die voor deze zingende slaven een belangrijke metafoor was. De Jordaan stond voor de doodsrivier waarachter het hemelse vaderhuis wacht. Een leven bij God zonder slavernij, pijn en vernedering. De Jordaan stond ook voor de grens tussen een slavenbestaan en een leven in vrijheid. Het beloofde land dat voor deze slaven heel concreet lag in de Noordelijke Staten en Canada waar geen slavernij bestond.

Mahalia Jackson leefde een eeuw later, was een tijdgenoot van Marten Luther King en spande zich in voor de rechten van zwarte Amerikanen. Ze deed dat als zangers met een fenomenale stem. Waar King zijn speeches hield, klonk steevast ook de zang van Mahalia Jackson. Zij zou in ieder genre uit de voeten hebben gekund maar bleef haar leven lang gospelsongs zingen. Ik zing Gods muziek, zei ze eens, omdat het me vrij maakt. En, zei ze ook: Als je spirituals zingt, heb je het gevoel dat er een remedie bestaat tegen alle kwaad.

Deze traditie van zingen tegen de klippen op, zingen tegen de duistere machten, zingen tegen het kwaad wortelt in de Bijbel. Als de Hebreeuws slaven ternauwernood zijn ontsnapt uit het slavenbestaan in Egypte en de wrede, hardvochtige Farao en zijn trawanten onder zijn gegaan in de golven van de zee, is daar Mirjam. We lezen: De profetes Mirjam, Aärons zuster, pakte haar tamboerijn, en alle vrouwen volgden haar, dansend en op de tamboerijn spelend. En Mirjam zong dit refrein: Zing voor de Heer, Zijn macht en majesteit zijn groot. Paarden en ruiters wierp hij in de zee.

Mirjam, haar naam betekent zoiets als: opstaan tegen de zee. De zee die in het Joodse denken staat voor chaos, voor de dood, voor duistere machten die ons onze vreugde, vrijheid en vrede ontroven. De machten die hier concreet belichaamd worden door de Egyptische slavendrijvers. En Mirjam zingt en danst hier tegen deze machten. Je leest er haast over heen: ze pakte haar tamboerijn. Niet vanzelfsprekend dat ze die bij zich heeft. Het getuigt van een hoopvolle levenshouding, Dat ze bij de weinige bagage die ze kon meenemen uitgerekend een tamboerijn heeft meegenomen. En niet eentje, maar zoveel dat ook de vrouwen tamboerijnen krijgen. We lezen: alle vrouwen volgden haar, dansend en op de tamboerijn spelend

Mirjam leidt hier een beweging van vrouwen. De tamboerijnen, de gezamenlijke dans, het is iets dat al in Egypte moet zijn voorbereid. Mirjam wordt hier een profetes genoemd en terecht. Je bent nog volop in Egypte midden in een erbarmelijk slavenbestaan. En je doorziet toch al iets van wat God aan het doen is. En je oefent je met bondgenoten alvast de overwinningsdans in. Een dans van bevrijding compleet met tamboerijnen.

Mirjam heeft dat profetische, dat opstandige aan het werk gezien bij andere vrouwen. Ze heeft het letterlijk met de paplepel meegekregen. In Exodus 1 en 2 zijn het de Hebreeuwse vroedvrouwen Sifra en Pua die zich niet neerleggen bij het bevel van Farao om alle Hebreeuwse jongetjes te doden. Ook al riskeren ze daarmee hun eigen leven. Mirjams moeder Jochebed bedenkt een plan om het leven van de kleine Mozes te redden en het is Mirjam die het lef heeft de dochter van Farao ertoe te brengen Mozes te laten opvoeden door zijn eigen moeder.

Terwijl de Hebreeuwse mannen zwoegen en slaven zijn het Hebreeuwse vrouwen als Mirjam die de lampen brandend houden en de hoop levend. Ze houden midden in de ellende de lofzang gaande, maken tamboerijnen en oefenen danspassen in. En als de tijd rijp is om de uittocht kan beginnen zendt God naast Mozes en Aäron ook Mirjam. Om leiding te geven aan het proces van fysieke en geestelijke bevrijding. In Micha 6,4 lezen we: Ik heb je weggeleid, bevrijd uit de slavernij in Egypte. Ik zond Mozes, Aäron en Mirjam om jullie voor te gaan. En Mirjam heeft dat op een heel eigen wijze gedaan. Ze leidt een aanbiddingsbeweging onder de vrouwen. Om te zingen tegen de zee, te zingen tegen de machten.

Ook in volgende generaties komen we ze telkens tegen. Vrouwen die zingen tegen de machten. Vrouwen als Debora de rechter. En Hanna de moeder van Samuël. Vanmorgen komen we het tegen bij Maria, die eigenlijk ook Mirjam heet: opstandeling tegen de zee. Dietrich Bonhoeffer noemt dit lied van Maria: met voorsprong het meest gepassioneerde, meest wilde en meest revolutionaire adventslied ooit gezongen. In de tijd dat Argentinië een dictatuur was en een bruut regime legio mensen liet verdwijnen, waren er de dwaze moeders op de pleinen van Buenos Aires. Zij stonden daar dag in dag uit met hun borden en foto’s. Op zoek naar hun geliefden en eisten gerechtigheid. En in deze jaren verbood het regime dat zij de lofzang van Maria zouden gaan zingen. De onderdrukkers vreesden de kracht die van dit lied uitgaat.Vooral van dat middengedeelte in vers 51-53 waarin heel de wereld op zijn kop gezet. Ondersteboven wordt gekeerd. Hij drijft uiteen wie zich verheven wanen. Heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien. Wie honger heeft overlaadt hij met gaven maar rijken stuurt hij weg met lege handen.

Als je het lied dat Maria zingt aandachtig bekijkt, zie je dat iedere zin die ze zingt een citaat is uit de Hebreeuwse Bijbel. Ze is gepokt en gemazeld in de Heilige Schrift en de geloofstaal van vroegere generaties komt nu gewoon boven borrelen. Ze is zo geworteld in de Bijbelse traditie dat ze in deze woorden een bril heeft waardoor ze de dingen die haar overkomen plaatst in een groter, ruimer kader.

En dat is ook precies wat dit lied vleugels geeft. Want door juist de geloofstaal op de lippen te nemen van eerdere generaties gelovigen, stapt ze daarmee ook in een geestelijke wereld. In de gemeenschap van de heiligen van alle tijden en van alle plaatsen. Maria gaat daarmee staan op de schouders van vorige generaties. Put uit een enorm collectief geheugen. En krijgt iets over zich van het geloof van de aartsvaders en moeders, van de passie van de profeten en profetessen uit vroeger tijden. Haar ogen gaan open voor de machtige daden van een God die trouw is aan wat hij eerder beloofde. Dat bezingt ze expliciet aan het slot van dit lied: Hij trekt zich het lot aan van Israël zijn dienaar zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd. Hij herinnert zich zijn barmhartigheid. Jegens Abraham en zijn nageslacht tot in eeuwigheid.

Dat was ook precies wat er gebeurde als slaven in het Zuiden van de VS zongen. Het verbond hen over grenzen van plaats en tijd heen met hun vaders en moeders in het geloof. Give me that old time religion, give me that old time religion, give me that old time religion, it’s good enough for me. It was good for the Hebrew children, it was good for the Hebrew children, it was good for the Hebrew children, it’s good enough for me.

Maria’s lied is dus niet zomaar een vroom en braaf gedicht. Het is ook niet een feel-good liedje waarin het vooral om haarzelf draait. Het is een ‘opstandig’ lied in een dubbele zin. Het bezingt de opstand van armen en kleinen. Van mensen die gebogen gaan onder de macht van anderen. Het is een lied van revolutie, van totale omkeer. En het is ook een lied van opstanding in die zin dat het de weg bezingt waarlangs mensen kunnen opstaan uit verdrukking, vernedering, lijden en dood. Het is een echt opstandingslied. Opstanding tegen de zee, tegen de machten.

Maria en Elizabeth zingen niet zomaar een fijn liedje. Het is ook een uiting van overgave en toevertrouwen. Al zingend staan zij ook echt zelf op en geven zij zich  aan de beweging van bevrijding en opstanding, van vernieuwing. Het zal ook een offer van hen vragen. Beiden zullen ze een zoon ontvangen die geboren is met een bijzondere bestemming. Om te leven en te sterven voor het koninkrijk van God. Beiden zullen ze hun zoon al vroeg moeten loslaten en beiden zullen ze ook vroeg hun zoon moeten verliezen. Maria zal erbij zijn op Golgotha, zal haar zoon bitter zien lijden en sterven. Maar dwars door alles heen is Maria er ook bij en blijft ze erbij na de opstanding, met Pinksteren zal ze met eigen ogen zien hoe het evangelie van Jezus alles op zijn kop zet, grenzen doorbreekt, gebogenen opricht en slaven in de ruimte zet.

De ontmoeting tussen Maria en Elizabeth heeft iets van een eigen kwetsbare kracht. Een oude vrouw onvruchtbaar en nu toch nog zwanger. Een jong meisje, ongehuwd en ook zij draagt een kind. Het zijn geen barricadespringers, geen activisten. En toch gaat het in hen een onverwoestbare kracht schuil. Het is de kracht van de Allerhoogste zelf die hen overschaduwt. Het de Geest van God die het in hen doet zingen.

Het tegendraadse lied van Maria en de profetische traditie waarin zij staat stelt aan u en mij vandaag een vraag. Klinkt dit lied van opstanding en hoop ook door in ons leven, ons doen en laten? Of hebben we zo’n manier van leven ontwikkeld dat dit lied steeds meer wordt gesmoord door onze eigen belangen en doelen na te jagen en voorbij te gaan aan de gebogenen om ons heen?

Waar zou in mijn leven de boel nodig ondersteboven moeten worden gekeerd? Wie of wat in mijn leven wordt al te lang weggedrukt en verdient het om opgeheven te worden? Wat zit er scheef? En wacht om te worden rechtgezet? Waar zit de gebogene in mijzelf? Neergedrukt, onvrij. En wanneer of waar is voor mij het punt bereikt om me niet langer bij neer te leggen, maar op te staan en op te komen en mijn stem te verheffen? Te zingen tegen de klippen op, tegen de machten. Tegen de duisternis, tegen de verkilling. Tegen het materialisme, tegen de onverschilligheid. Tegen zonde, ziekte, pijn en nood. Tegen de machten en krachten. Tegen mijn taaie oude bestaan

Door de wereld klinkt een lied tegen angsten, tegen verdriet, tegen onrecht, tegen dwang richten pelgrims hun gezang. Gezegend de zingende vrouwen, de dwaze moeders, de profetessen van deze wereld, van deze tijd. Gezegend het huis, het leven, het hart waarin dit lied niet sterft, maar opklinkt. Iedere dag opnieuw.

(Geïnspireerd door de Bijbel-podcast ‘Eerst Dit’, 10 december 2018, ds. Kees van Ekris)

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie