De lokroep van de wilde ganzen (psalm 50)

(Psalm 50, Romeinen 12: 1-2)

Sören Kierkegaard was in de 19e eeuw een predikant en filosoof in Denemarken. Hij was een soort van profetisch figuur. Een luis in de pels, die bekend stond om zijn kritische kijk op het leven in het algemeen en op de kerk en christenen in het bijzonder. Deze Kierkegaard vertelde op zeker moment de parabel van de wilde gans. In een beknopte en vrije versie luidt die als volgt.

Iedereen weet dat dat twee soorten ganzen zijn: wilde ganzen en tamme ganzen. En wanneer je hoog in de lucht de trek van de wilde ganzen hoort, zie je bij de tamme ganzen op de grond meteen een reactie. Ze verheffen zich een klein beetje van de grond. Ze slaan met hun vleugels en laten hun ganzenroep horen en fladderen nogal druk en rommelig vlak boven de grond een stukje met de wilde ganzen mee, en dan is het voorbij.

Nu was er ooit zo’n wilde gans die een hele poos optrok met tamme ganzen en van ze ging houden. Maar toen de tijd van de trek weer aanbrak merkte de wilde gans dat hij het heel jammer zou vinden om bij deze tamme ganzen weg te vliegen en hen achter te laten. Hij probeerde hen ertoe te verleiden om nu eens echt te gaan leren vliegen. Elke dag een klein stukje hoger, zodat ze mee zouden kunnen gaan wanneer de dag van de trek zou aanbreken. Zo zouden ze verlost kunnen raken uit het ellendige middelmatige bestaan dat uit niets anders bestond dan wat rond te waggelen op een klein stukje grond. En in het begin vonden die tamme ganzen dat eigenlijk best leuk. Ze raakten ook gesteld op die wilde gans. Vonden hem ook best boeiend en inspirerend en apart. Maar al snel begon hij hen te vervelen. Ze beten hem scherpe woorden toe. Ze begonnen hem terecht te wijzen en noemden hem een vreemde fantast zonder ervaring en levenswijsheid. Je doet maar normaal net als wij dan doe je al gek genoeg. En hoe langer de wilde gans bleef. Hoe meer impact de tamme ganzen op hem hadden. En het eind van het liedje was dat de wilde gans veranderde in een tamme gans. En nooit meer toe is gekomen aan de grote trek..

De parabel van de wilde gans had voor Kierkegaard een scherpe spits naar christenen. Hij houdt ons de vraag voor: waar gaat het nu eigenlijk om in mijn bestaan? Ben ik zo’n tamme gans die eigenlijk wel tevreden is met een leven dat wat voortkabbelt. En waarin nooit echt iets wezenlijks verandert. Of ben ik een wilde gans die heeft geleerd om mee te gaan met de trek  en zich laat meenemen in iets dat groter is en sterker dan hijzelf. Bij wie het gaat om de Geest?

Zo’n zelfde scherpte zit in psalm 50. De psalm is geschreven door Asaf. Die bekend stond als een ziener. Iemand met een scherp oog voor het menselijk bestaan, het menselijke hart. Veel van de psalmen en ook deze 50e psalm zijn ontstaan in de jaren na de ballingschap. En dat proef je tussen de regels door. Er staat dan intussen in Jeruzalem wel een soort mini-tempel maar de allure van de eerste tempel zou daar nooit mee terug komen. En een deel van het Joodse volk was dan wel terug gekeerd, een deel van het Joodse volk vond het eigenlijk wel best daar in de verstrooiing en was nooit meer terug gekeerd naar Israël. Zij waren daar in den vreemde blijven wonen. En zij die wel terug waren gekeerd voelden dat het niet meer zou worden als vroeger. Het verbond dat op de Sinai was gesloten was volledig stuk gelopen op de ballingschap. En profeten als Jeremia en Ezechiël hadden al voor de ballingschap een nieuw verbond aan gekondigd. Dat zou worden geschreven in de harten van mensen. En wat je tussen de regels door beluistert in deze psalm. Sluit aan bij dat verlangen naar een nieuwe tijd, een nieuw verbond. Het is een pleidooi voor waarachtigheid. Voor leven vanuit het hart.

In de eerste plaats om waarachtigheid tegenover God. En die waarachtigheid was soms ver te zoeken. Mensen toen en als we eerlijk zijn ook nu hebben zo vaak genoeg aan onze godsdienstige gebruiken op zich. We besteden een stukje van onze tijd aan gebed, aan het lezen van een stukje uit de Bijbel of een dagboekje. Met enige regelmaat bezoeken we een kerkdienst. We doen onze duit in het collectezakje en dragen ons steentje bij aan de actie kerkbalans. En geven misschien ook nog ons deel aan goede doelen. Nou ja, wat kan een mens nog meer doen, toch? Het is ook een keer genoeg, of niet dan?

En dan komt hier in deze psalm God aan het woord. Die eigenlijk zegt: ik heb jou tijd, jouw geld, jouw inspanningen niet nodig. Het behoort toch eigenlijk allemaal al aan mij toe. Het is goed dat je al die dingen doet. Maar het gaat mij om het hart er achter. Het gaat mij niet om jou gaven. Het gaat mij om jouzelf. Het gaat mij er om dat de dingen die je doet geen vroom godsdienstig sausje zijn over een leven dat zelf eigenlijk zelf niet echt verandert. Dat je wel van alles doet en geeft maar dat je niet jezelf geeft. Dat je je leven toch in eigen hand houdt. En zelf blijft zitten op de troon van je hart. Dat is het punt van vers 7-15.

God zoekt naar waarachtigheid in ons bestaan. Waarachtigheid ten opzichte van hem. En ook waarachtigheid in onze omgang met elkaar. In de manier waarop we naar de ander kijken. In de manier waarop we over de ander spreken. In de manier waarop we omgaan met wat van een ander is. Dat we niet iets heel anders denken dan dat we zeggen. Dat we het een vinden en beweren en intussen eigenlijk iets heel anders doen. Dat we transparant zijn. Dat als iemand ons ontmoet, hij u, jou, mij echt ziet zoals we zijn. En niet aankijkt tegen een soort masker van schone schijn.

Er zitten wat mij betreft twee sleutelverzen in deze psalm. Dat is om te beginnen vers 21 waar heel treffend staat: je denkt toch niet dat ik ben zoals jij? Dat is een vers om nog eens over te mediteren. Is het beeld dat wij van God hebben gevormd niet vaak een soort projectie van wie we zelf zijn? Zijn we er niet heel bedreven in om een soort van godsbeeld te creeëren waar alle scherpe kantjes van zijn afgehaald? Een God die vooral aaibaar is geworden en lief. Die ons alleen nog maar pluimpjes kan geven en bemoedigingen rond strooit en onze plannetjes mag zegenen. En die eigenlijk nooit meer iets kan inbrengen dat ons een ongemakkelijk gevoel bezorgt. Dat ons verontrust en dat snijdt in ons vlees. Die geen stok meer tussen onze wielen kan steken. Je denkt toch niet dat ik ben zoals jij?

God is de gans andere. Die heel anders naar de dingen kijkt dan wij. Wij zien wat voor ogen is maar Hij ziet het hart aan. Wij hebben vaak genoeg aan buitenkant. Hij is vooral geïnteresseerd in de binnenkant. Psalm 50 nodigt ons uit om te leren kijken met Gods ogen. Het is een psalm met scherpe kantjes die er geen doekjes om windt. Maar het is niet bedoeld als een draai om je oren, een veeg uit de pan. Het is het soort scherpte dat hoort bij een echte vriendschap. Het is de scherpte van het verbond dat God met mensen sluit. Onze omgang met elkaar is nogal eens gebaseerd op vooral een beetje aardig zijn voor elkaar. Het fijn hebben en gezellig en leuke dingen doen. En als je mazzel hebt is er binnen onze vriendschappen ook nog wat plaats voor moeilijke en verdrietige dingen. Maar om binnen een vriendschap ook echt zo eerlijk te zijn en zo scherp en de vinger op de zere plek te leggen, elkaar scherpen zoals men ijzer met ijzer scherpt. Dat kan alleen als de band stevig is en het commitment sterk en solide. Het vertrouwen sterk. En dat is precies de band die God zoekt met zijn mensen. Hij benoemt glashelder wat er  mis is. Maar noemt ons steeds zijn volk, zijn getrouwen. En zichzelf onze eigen God.

En dat brengt ons bij het tweede sleutelvers in deze psalm. Dat is wat mij betreft het slotvers: wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer. Wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt. Dankoffers zijn het type offers dat je brengt. Als je in je gewone dagelijkse leven redenen hebt om dankbaar te zijn. Omdat je genezen bent van een ziekte bijvoorbeeld. Of omdat je een mooie opbrengst had in je handel of op je land. Omdat je dankbaar bent voor je huwelijk, je gezin. Er zijn misschien wel 10.000 redenen voor een dankoffer.

En het aantal redenen om een dankoffer te brengen neemt evenredig toe met de mate waarin je je weg probeert te gaan in waarachtigheid. Wie zo zijn weg gaat, daar zit de crux. Zo je weg gaan betekent je weg gaan in waarachtigheid.

Als je je realiseert dat God niet is zoals jij. Als je durft te kijken in de glasheldere spiegel die God je voor houdt. Dan wordt je steeds opnieuw en ook wel steeds dieper bewust van de onzuiverheid, de dubbelheid, de onwaarachtigheid in je denken, doen en spreken. De duistere plekken in je bestaan die vaak verbonden zijn met de wonden die je in je leven hebt opgelopen.

Als je je zo in alle eerlijkheid klein maakt voor de Heer en openheid van zaken geeft. Niets achterhoudt. Leeft in het licht. Hem het offer brengt van je verbroken hart. Dan zie je je eigen leven in ander licht. Niets van wat je op je weg tegenkomt is dan verdienste. Je hebt nergens recht up en kunt niets claimen. Alle goeds is dan onverdiende genadegave van God. En je ziet steeds scherper de bevrijding van je bestaan de vernieuwing van je hart en leven echt van buitenaf moet komen. Van God om precies te zijn. En dat is ook precies wat God belooft. Wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.

Zal zien dat God redt. Deze woorden wijzen heen naar de komst van een man die als naam draagt: Hij die redt: Jezus. In Jezus is Gods redding voltooid en compleet. Zijn sterven en opstaan is genoeg om als een bevrijd mens de weg te gaan van de waarachtigheid. De hele offercultus is in Christus vervuld en volbracht. Het enige offer dat overblijft is het dankoffer. Dank voor alles wat God ons in Christus Jezus heeft geschonken. Dank voor Zijn Geest die ons daarin wil laten delen. Dank voor de gemeenschap met andere gelovigen. Dank voor de gelegenheid om Hem te dienen met de gaven en talenten die hij ons gaf. En zo ons leven zelf Hem aan te bieden als een levend dankoffer.

Je hoort mensen het zichzelf soms afvragen. Ik geloof heus wel. Ik heb er echt wel iets mee. Maar ik zou er eigenlijk meer mee bezig moeten zijn. Dat is de logica van de tamme gans. Die levenslang zichzelf sust en afremt en zichzelf en de anderen om zich heen altijd maar weer wijs maakt dat met geloven niks mis is. Maar dat je niet moet overdrijven. En ook wel jezelf moet kunnen zijn.

En daar bovenuit gaat de lokroep van de wilde ganzen. Die met hun grote trek zijn begonnen. En je toeroepen: er is meer, veel meer. Durf jezelf te verliezen en laat je meenemen in een heel nieuw leven dat niet uit jezelf komt. Een leven dat voortkomt uit Gods bevrijdende kracht in Christus Jezus onze Heer. Dat is ook de strekking van het apostolisch vermaan uit Romeinen 12. Echte godsdienst is jezelf als een levend, heilig, God welgevallig offer in Zijn dienst te stellen. Jezelf niet aan te passen aan deze wereld, aan de tamme ganzen. Maar te veranderen door je gezindheid te vernieuwen. Om zo te ontdekken wat God van ons wil. En wat goed, volmaakt en hem welgevallig is.

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie