Als een kind (Markus 10, 13-16)

(Psalm 131, Markus 10:13-16)

Nee jongens, nu even niet! Nu even geen kinderen er bij OK? Ergens snap je die reactie van Jezus’ leerlingen wel. Jezus is op weg naar Jeruzalem. En je voelt aan alles dat de spanning oploopt. De tegenstellingen nemen toe. De politieke en religieuze autoriteiten keren zich meer en meer tegen Jezus en Jezus zelf begint steeds nadrukkelijk te spreken over alles wat hem te wachten staat. Er staan grote dingen te gebeuren. Het koninkrijk van God staat op doorbreken. Nu even geen kinderen graag. Dit is nu echt iets voor de grote mensen. Jullie tijd komt nog wel. Dat is de houding van de leerlingen van Jezus.

Het was misschien nog wel OK geweest als die kinderen gewoon op de achtergrond waren gebleven. Stilletjes en braaf hadden geluisterd en toegekeken zonder dat iemand last van hen zou hoeven hebben. Maar hun ouders brengen hun kinderen bij Jezus met de vraag of hij echt even 100% aandacht aan ze zou willen geven. En specifiek of hij ze zou willen aanraken en zegenen. Dat was gebruikelijk in die tijd. Dat mensen hun kind naar een rabbi brachten om voor het kind specifiek te laten bidden en het een zegen te laten ontvangen.

En deze mensen hebben met hun eigen ogen gezien wat er gebeurde met mensen als Jezus hen aanraakte. Dat ging gepaard met een werkzame kracht waardoor mensen werden genezen, bevrijd, opgericht, vernieuwd. Een aanraking van uw hand, een woord uit uw mond meester dat is genoeg, dat is alles wat ik vraag. Maar voor de leerlingen van Jezus is het teveel. Nu niet mensen, we zijn druk met andere zaken.

De leerlingen van Jezus vinden het niet echt nodig. Maar Jezus beoordeelt de situatie anders. Hij ziet dat zijn leerlingen die kinderen tegenhouden. En dan schiet hij enorm uit zijn slof. Er staat dat hij furieus is, zeer verontwaardigd, gewoon boos! Laat ze! Laat de kinderen tot mij komen. Houd ze niet tegen. En de enorme lading, de felheid waarmee Jezus deze woorden spreekt geeft aan dat hier echt iets wezenlijks op het spel staat. Je bent in het licht van deze woorden van tweeën één. Je bent of iemand die je kind bij Jezus brengt. Of je bent voor je kind juist een sta-in-de-weg.

Vandaag zijn er zes kinderen gedoopt. En tijdens de doopcatechese-avonden was één van de centrale onderwerpen geloofsoverdracht. Op welke manieren kun je je kind helpen om van jongs af aan een gezond en stevig geloof te ontwikkelen? Dat kun je thuis doen door op een aantrekkelijke manier je kind vertrouwd te maken met Bijbelse verhalen en liedjes. Door in je gezin een open sfeer te scheppen waarin het heel gewoon is om samen te zingen, samen te danken en te praten met God. En het helpt ook als je je kind er van jongs af aan went om op zondag samen naar de kerk gaan om God te ontmoeten.

Maar er zit in deze woorden van Jezus ook een diepere laag. Als hij zegt: laat de kinderen tot mij komen. Houdt ze niet tegen. Dan heeft dat niet alleen te maken met wat we doen. Het raakt ook aan wie we zelf zijn. Naast onze woorden en ons doen en laten krijgt ons kind ook veel mee van mijzelf. En de vraag is dan: wat leest mijn kind dan in mij? Wat ziet het in mijn ogen, wat proeft het tussen de regels door. Is het onzekerheid, angst, geremdheid, afstandelijkheid, spanning? Is het minderwaardigheid, afwijzing, onverwerkt verleden? Is het trots, koppigheid, drang tot controle, moeite tot overgave? Is het perfectionisme? Is het ambitie? Is het fatsoen, wat normen en waarden en plichtsbesef? Wat is het dat mijn kind afleest en proeft en meekrijgt van mij?

Want je kunt doen alsof al die dingen er niet zijn? Maar dan duw je ze weg naar het onderbewuste en blijven ze volop rondspoken in je leven en draag je vaak heel wat van dat alles ook weer over op je kinderen. En door dat te doen help je ze niet op hun weg naar Jezus maar kun je onbedoeld een sta-in-de-weg zijn… Niet alleen voor je kinderen. Maar ook voor andere mensen om je heen.

Dat is de diepere laag in deze woorden van Jezus. Laat de kinderen bij me komen. Houd ze niet tegen. Wat hier gebeurt raakt aan de kern van de zaak. En daarom reageert Jezus zo fel, zo furieus. Want, zegt Hij, het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. En om er geen misverstand over te laten bestaan voegt hij er aan toe: Ik verzeker jullie, wie niet, als een kind openstaat voor het koninkrijk van God zal er zeker niet binnengaan.

Kijk, je hoort het mensen wel eens zeggen. Kon ik nog maar geloven zoals een kind. Zo puur, zo oprecht, zo ongecompliceerd, zo onbevangen en vol vertrouwen. Maar na alles wat ik heb meegemaakt en gezien in mijn leven lukt me dat gewoon niet meer. Ik ben dat kinderlijke geloof onderweg ergens kwijt geraakt dat zullen velen van ons ergens wel herkennen.

Toch is dat niet precies wat Jezus hier bedoelt. Het kind heeft in die tijd een heel andere plaats. Het is geen voorbeeld van zuiverheid en onschuld en onbevangenheid. Het kind wordt nog niet gezien, telt nog niet echt mee. Het mist nog van alles en is nog niet volgroeid. Het kan niet voor zichzelf zorgen, is echt aangewezen op wat het ontvangt van volwassenen.

Dus als Jezus zegt: het koninkrijk is voor wie is als een kind. bedoelt hij niet dat het is voor mensen die zo puur, zo zuiver, zo onbevangen en zo vol vertrouwen zijn. Hij zegt: ik wil koning zijn voor mensen die nog van alles missen. Ik ben er voor mensen die voor hun besef niet zo meetellen. Mensen die zelf niets te bieden hebben en het moeten hebben van dat wat hen wordt gegeven.

En dat is wat Jezus steeds deed en nog altijd doet. Hij zoekt mensen op die van zichzelf niet zoveel te geven hebben en van zichzelf ook niet veel goeds hebben door te geven as gebrokenheid, belastheid, verwondheid, tekorten en falen. En juist zulke mensen raakt Jezus aan met zijn machtige hand. Een melaatse waar iedereen met een grote boog om heen loopt. Een blinde waarvan mensen zeggen dat iet vast iets slechts heeft gedaan. Zomaar een kind dat nog niet meetelt en waar iedereen overheen kijkt. Dat is de vreemde wonderlijke genade van God. Die van ons helemaal niets anders vraagt dan los te komen van onszelf. En echt alles te ontvangen van God.

Dat loskomen van jezelf dat is zo simpel nog niet. We houden zo graag de schijn op en staan niet graag met lege handen. Maar wat zou het een verandering geven. In onze gezinnen, in ons huwelijk, in onze vriendschappen en onze gemeente. Als we het zouden aandurven om het masker te laten zakken en kwetsbaar durven zijn over onze eigen zwakheden, onze tekorten. Die zouden durven uitspreken voor God en elkaar. En dan samen al die dingen te leren loslaten en onze leegte te laten vullen door Gods genade alleen. Steeds voor onszelf en voor elkaar op zoek te gaan naar een omhelzing, een aanraking van God zelf. Dat het aan alles te zien en te voelen is dat we thuis zijn ons ons eigen hart en zelf helemaal leven van Gods genade.

Je brengt je kind bij Jezus als je kind aan jou afleest dat je zelf vaak bij Jezus bent. Als Jezus echt de Heer is van je leven de koning van je hart. En als je zo vaak aan zijn voeten zit dat je kind iets van Jezus zelf ziet in jou iets van Jezus proeft en ervaart in wie jij bent in je gewone doen en laten. Als Jezus in jou gestalte krijgt meer en meer en je een leesbare brief bent voor je kinderen. Voor je partner en voor de mensen om je heen. Juist ook als je kinderen al volwassen zijn en soms andere wegen hebben gekozen en niet zoveel meer lijken te hebben met geloof en zo. Wat lezen zij dan in jouw lichaamshouding? Teleurstelling, verwijt, oordeel, dwang, angst? Of lezen ze in jouw leven eerst en vooral de liefde van Jezus zelf?

Ken je die intense omgang met Jezus? Weet je wat het is om aan zijn voeten te zijn? Wandel je met hem en ben je close? Die nabijheid, dat intense hechte en warme contact Dat lees je af uit dat slotvers: Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hen de handen op te leggen. Jezus raffelt het niet even af,  zo van, ach ja die kinderen ook even tussendoor wat aandacht geven. Neem, hij neemt ze in de armen. Letterlijk staat er: hij omhelst ze. Hij legt het kind aan zijn hart. Hij laat het zijn adem voelen. Zijn lichaamswarmte. Hij verbergt het in de holte van zijn borst. Het is een veilige, beschuttende omhelzing. Vol tederheid, vol bescherming.

God zoekt ouders en kinderen, God zoekt gezinnen waar Hij wonen kan. Waar een cultuur groeit van genade. En ouderen en jongeren hun kwetsbaarheden niet hoever te verbergen, te maskeren. Waar mensen niet leven op eigen kracht en zich iedere dag maar weer moeten bewijzen. Maar waar mensen echt zijn wie ze zijn En een passie ontwikkelen voor God. En gaan ontdekken wat Gods genade is. Genade die sterker is dan mijn harde hart. Genade die sterker is dan wat ook van mijn kant.

En weet je wat zo mooi is. Als je zelf zo groeien mag in je ban met Jezus. En Hij steeds meer gestalte in je krijg. Dan mag jij voor je kinderen zijn mond zijn En gezicht, zijn stem, en zijn handen. En dat laatste mag je dan ook leren letterlijk te zijn. Als je s’morgens je kind naar school brengt mag je even je hand op het hoofd legt en zegt: lieverd, ik zegen je in Jezus naam. Als je je partner, je echtgenoot gedag zegt dat je elkaar dan zegent in de machtige naam van Jezus. Ga met God schat, en Hij zal met je zijn. Zo mogen we elkaar zegenen als Gods kinderen. En iedere handoplegging draagt iets over van Gods kracht, Gods liefde, Gods genade, Gods wijsheid, Gods vrede, Gods genezing.

Hoe de leerlingen hebben gereageerd wordt open gelaten. Maar als ze de woorden van Jezus echt hebben begrepen, zullen ze zijn aangeschoven achterin de rij met wachtende kinderen. En met enige verlegenheid en schaamte aan Jezus gevraagd hebben: Heer, leg uw machtige hand ook op mijn leven. Een woord uit uw mond Heer is ook voor mij genoeg. Heer zegen ook mij op de weg die ik moet gaan. Zodat ik voor mijn kinderen en voor anderen ook zelf weer een zegen kan zijn.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie