Alles is genade! (Efeziërs 2:1-10)

(Efeziërs 1: 1-10)

Tot hiertoe heeft de Heer ons geholpen… vanaf nu redden wij onszelf wel… Dat is de strekking van een onderzoek van de socioloog Herman Vuijsje. Hij onderzocht een aantal jaar geleden wat mensen in de kerken nog echt geloven en waar ze openlijk of minder openlijk afstand van hebben genomen en Vuijsje signaleert dat er in korte tijd veel is veranderd. Vroeger werd wat wij geloven vooral bepaald door de Bijbel, de kerk en de traditie. Maar vandaag de dag hebben we met elkaar steeds minder kennis van de Bijbel. En weten we ook steeds minder van de geloofsleer. We voelen ons steeds vrijer om zelf te bepalen wat we nog wel geloven en wat we echt niet meer kunnen meemaken. En je hoort het met enige regelmaat mensen zeggen: Dat is toch niet echt meer van deze tijd. Dat hebben we nu langzaam aan wel gehad. Daar heb ik niet zoveel meer mee. Dat werkt voor mij niet zo. Dat is niet echt mijn ding.

Ons leven ligt meer open dan ooit. Veel mensen shoppen zo’n beetje zijn eigen verzameling  aan opvattingen en denkbeeldenideeën bij elkaar. En zo wordt wat ik geloof een bonte verzameling van opvattingen en denkbeelden die ik op de een of andere manier heb opgeduikeld en me min of meer heeft eigen gemaakt. Waar ik op de een of andere manier ik wel iets mee heb. Het voelt op een bepaalde manier wel goed,  of zo.. Het positieve van deze ontwikkeling is dat we vandaag de dag alle ruimte hebben om kritisch te kijken naar wat ons in de loop van ons leven is meegegeven. En wat we krijgen aangereikt in de kerk of langs allerlei andere kanalen. Het is helemaal niet verkeerd als je jezelf regelmatig de vraag stelt: waar sta ik zelf ook echt achter. Waar draait het wezenlijk om in mijn geloof en wat reken ik tot de bijzaken of zelfs tot overbodige ballast die me eerlijk gezegd meer in de weg zit dan dat het mij helpt in mijn leven als christen.

Maar er zitten aan dit proces ook wel risico’s. Want als je niet meer zo zeer staat in een traditie dan wordt je terug geworpen op je eigen onderscheidingsvermogen. En als je zelf moet bepalen wat er werkelijk toe doet in het geloof. En waar je niet zoveel meer mee hebt. Dan gooi je voor je er erg in hebt met het badwater ook het kind weg. Je kunt ongemerkt bouwstenen afdanken die het huis van je geloof wel erg kwetsbaar maken en wiebelig. Dat is wat de socioloog Vuijsje concludeert: voor veel mensen wordt het geloof vager. We hebben het niet meer zo helder. En dat wordt misschien alleen maar erger omdat we ons geloof laten bepalen door wat goed voelt. De kerk en de traditie geven we steeds minder gewicht en de Bijbel wordt steeds meer een van de geluiden tussen vele anderen en vooral die van onszelf. Tot hiertoe heeft de Heer ons geholpen. Maar vanaf nu redden wij onszelf wel…

Neem nu dit gedeelte uit Efeziërs 2. Dat begint met een soort portret van de mens. En het is een portret in behoorlijk donkere tinten. De mens die meent dat ie God niet nodig heeft en eigenlijk vindt dat hij zichzelf prima redt. Paulus zegt dat zo iemand wel kan denken vrij te zijn om zijn eigen weg te gaan. Maar in werkelijkheid is hij een speelbal van andere krachten. Er is in deze wereld geen neutraal terrein. En helemaal nergens aan doen, dat is geen optie. Je leeft als mens altijd onder invloed. En als dat niet de invloed is van God dan zijn dat andere machten en krachten die mij laten denken en leven volgens de schema’s en patronen van deze wereld. En waarin het al wel snel gaat draaien om mijn belangen, mijn behoeften, mijn verlangens. Dat is een manier van leven. Waar God niet met een glimlach maar kan kijken. Het is een vorm van bestaan die botst met Gods bedoelingen en zo Zijn toorn oproept.

Je leest zo’n portret van de mens op zichzelf en denkt dan al snel bij jezelf: aan mensen om je heen die helemaal nergens aan doen En toch zo aardig zijn en nobel. Die werkelijk geen vlieg kwaad doen en aan wie veel kerkmensen nog een voorbeeld kunnen nemen. En je denkt: dit is me te zwart-wit, te ongenuanceerd. Het voelt niet goed, ik heb er weinig mee. En dan ben je er eigenlijk al weer klaar mee. Maar als je dat doet ga je echt te snel. dan heb je de diepere laag in deze woorden gemist. Dan blijf je aan de oppervlakte steken, in het al te menselijke. Deze verzen steken dieper af. Ze peilen de diepte van het menselijke bestaan. Ze belichten wie de mens is in de ogen van God. En dat valt nog niet zo mee.

De mens is van nature dan niet een goed bedoelende brave burger die af en toe eens een steekje laat vallen en aan wie God hier en daar nog iets heeft bij te schaven en dan komt ie vast op zijn pootjes terecht. De mens ook in zichzelf ook niet een leerling die het allemaal nog niet helemaal heeft begrepen aan wie God het allemaal nog maar eens rustig moet uitleggen. En dan ziet hij vast het licht. De mens is ook niet per se een nieuwsgierige zoeker die God dan bij het handje kan nemen en het laatste zetje geven en dan vindt die mens ongetwijfeld waar hij al die tijd al naar op zoek was.

Nee, God heeft de mens geschapen met de bedoeling dat hij God zou kennen en liefhebben en dienen met heel zijn hart en heel zijn ziel, met heel zijn verstand en met al zijn kracht en zijn medemens als zichzelf. Dat de mens in staat zou zijn om buiten zichzelf voor de ander te leven. Dat de mens in staat zou zijn om niet alleen aardig te zijn voor wie voor hem aardig zijn maar dat hij zelfs zijn vijanden zou kunnen liefhebben en ls het moet zelfs zijn leven zou willen geven voor de ander. En die hoge bestemming bereikt de mens zelf niet. Dat is de betekenis van het zware woord zonde: Dat je je doel mist. Zonde is de pijn van je doel missen. En dat is wat het menselijke bestaan kenmerkt. Dat bij alles wat ons bezielt en beweegt. En bij alles wat we tot stand brengen en presteren we er niet in slagen om tot onze hoge bestemming te komen. In die zin zijn we krachteloos, hulpeloos en eigenlijk dood

En dan is het, na deze eerste zware en donkere verzen of ineens de luiken opengaan en er licht binnenvalt. We lezen in vers 4: maar, omdat God zo barmhartig is, omdat de liefde die Hij voor ons heeft opgevat zo groot is heeft hij ons die dood waren door onze zonden. Samen met Christus levend gemaakt. Ook u bent nu door zijn genade gered. Dat vierde vers begint in het Grieks met twee woordjes: Maar God… Dat is het hele evangelie in twee woorden: maar God.. Van de mensheid viel niets meer te verwachten. Het menselijk bestaan is zo gebroken, zo geschonden. De mens schiet langs alle kanten zijn doel voorbij. Maar God…. laat het daar niet bij zitten en maakt met deze mens een nieuw begin. Een begin dat helemaal zijn oorsprong vindt in de vrije keuze van Gods hart: maar God….

In het jaar 1501 stond ergens in de stad Florence in Italië in de werkplaats van de kathedraal een reusachtig stuk marmer het was wel zes meter hoog en woog duizenden kilo’s. En het was geen enkele beeldhouwer gelukt om daarvan iets te maken. Dat kwam vooral omdat er dwars door het blok marmer een enorme barst liep. Tot de beroemde Michelangelo zich ermee bemoeide. Hij wist met zijn vaardige handen uit zo’n onmogelijk stuk materiaal een werkelijk schitterend beeldhouwwerk te maken. En juist die barst die door het marmer liep daagde hem uit er een heel nieuw soort David van te maken. Een half gedraaide gestalte die met kracht de slinger werpt. Het werd drie jaar later onthuld op de Piazza del Signori en is tot op de dag van vandaag een van de meest beroemde kunstwerken ter wereld.

Zoiets wordt bedoeld in deze verzen. Dat God uit zulk onmogelijk materiaal als beschreven in de eerste drie verzen schitterend monumenten kan maken.  Die stuk voor stuk de heerlijkheid, de glorie van de maker weerspiegelen. In vers 10 staat er letterlijk: want wij zijn Zijn maaksel. En het initiatief daartoe, het plan en ook de uitvoering Het kwam allemaal voort uit het hart van God en meer specifiek uit zijn barmhartigheid, liefde en genade.

We hebben al eerder gezien dat de Efeziërs-brief uit drie delen bestaat. Die elk met een werkwoord kunnen worden aangeduid. Het middenstuk gaat over wandelen als een christen Het slotstuk over standhouden in geestelijke strijd. En in Efeziërs 2 zijn we nog volop in het eerste deel waarin het sleutelwoord zitten is. Het nodigt ons uit om te gaan zitten op het fundament van onze redding. Op wie Christus is en wat hij voor ons heeft gedaan. Onze basis, ons houvast, onze kracht te vinden op een plek buiten ons zelf. Ook in dit gedeelte wordt steeds benadrukt dat ik mijn basis, mijn fundament, mijn rustpunt echt radicaal buiten mijzelf mag vinden in Christus. Vers na vers wordt benadrukt dat Gods ons leven vernieuwt met Christus in Christus en door Christus. Alle genade die mij is geschonken vind ik steeds en alleen in Hem.

Maar het tegelijk ook waar dat die genade niet alleen buiten mij in Christus zichtbaar is geworden. Ze krijgt ook gestalte in mijn bestaan. Want die genade die doet ook echt iets met mijzelf. Er wordt diep in mijn bestaan iets wakker geroepen. Er komt van binnenuit iets tot leven. Ik word op een nieuwe weg geplaatst. De weg van de goede daden. Op de weg van de goede daden hoef ik niet te hollen en te draven. Het is de weg die God zelf heeft bereid  Opdat wij daarin zouden wándelen. Ontvangend, ontspannen, vol overgave op de weg van de goede daden hoef ik me nu niet alsnog flink te gaan bewijzen. Het zijn goede daden die God heeft voorbereid. Zoals een kind een cadeautje koopt voor zijn vader van de spaarcentjes die zijn vader hem eerst heeft gegeven. Het zijn de dingen die zijn genade in mij uitwerkt  en waarin iets wordt weerspiegeld van Gods genade, Gods karakter. En precies op die momenten Komt mijn leven weer tot haar doel, ben ik precies waarvoor ik ben gemaakt. Een spiegel van Gods glorie.

De geestelijke doe-het-zelver vindt zo’n stuk uit Efeziërs 2 al gauw te zwaar inzetten. Schuift het terzijde en zegt opgewekt: Ach, je kunt toch niet meer doen dan je best. En dan doet God vast de rest. Of niet? Dat klinkt best wel licht maar het is is welbeschouwd loodzwaar. Want hij of zij moet dan altijd maar weer op zijn tenen lopen. Er is ook een andere mogelijkheid. Je kunt ook echt meer doen dan je best. Je kunt ook stoppen met je best te doen. Wat je ook kunt doen is dit. Gaan zitten en eens goed kijken naar dat donkere zelfportret van het menselijk bestaan. Op je knieën gaan en eerlijk belijden dat ook jij je doel mist. Dat ook jij niet meer bent dan een zondaar. En dat een nieuw leven, een nieuw begin Alleen echt iets worden kan als het begint en eindigt bij God en bij zijn genade. En dat je God voor die genade dankt. En daaruit leeft elke dag.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook interessant om te lezen

Geen reacties

Plaats een reactie